home >>> wat doen wij >>> overzicht archief wat doen wij >>> archief ix
   
Nieuw boek over het verdronken Valkenisse (27 september 2012) I - II - III - IV - V - VI - VII - VIII - IX - X
Bijzondere rondwandeling en zoutzieden bij Oud-Rilland (20 oktober 2012) XI - XII - XIII - XIV - XV - XVI - XVII - XVIII
Verslag geofysisch onderzoek (18 en 19 november 2012)  
Moernering op Oud Rilland (2013)  
   
 
Nieuw boek over het verdronken Valkenisse image
 
Geschiedenis, archeologie en topografie van een verdronken dorp op Zuid-Beveland
 

Valkenisse een dorp met omliggend land dat door vele rampen getroffen in 1682 voorgoed verdween in de golven.
Dit boek is uitgegeven door de AWN: vereniging van vrijwilligers in de archeologie.

Op het slik aan de Westerschelde is tussen 1992-2003 onderzoek gedaan naar het verdronken laatmiddeleeuwse dorp Valkenisse. Amateur- en beroepsarcheologen hebben hun belangrijkste waarnemingen en resultaten beschreven in dit nieuwe boek.
De groeiende belangstelling voor de verdronken geschiedenis van Zeeland en het aanleggen van twee strekdammen, waardoor een bezoek aan het verdronken dorp niet meer mogelijk is, waren de aanleiding om dit boek te maken.
Dit eindresultaat van vooral nieuw archeologisch, historisch en historisch-geografisch onderzoek heeft er toe geleid dat Valkenisse het best gedocumenteerde verdronken dorp in Zeeland is geworden.
Het boek is te koop in enkele Zeeuwse boekhandels en te bestellen per e-mail bij de AWN-Zeeland: dickydekoning ad zeelandnet dot nl of tel: 06-28615255.

Dit boek werd mede gesponserd door de Rabobank Oosterschelde.

image

   

 
Bijzondere rondwandeling en zoutzieden bij Oud-Rilland
(ter gelegenheid van 2012, Zeeuw Jaar van het Water)
 

Op zaterdag 20 oktober 2012 is er een bijzondere rondwandeling op de slikken bij Rilland.
Als het water in de Westerschelde laag genoeg is kunnen we aan de laagwaterlijn resten van vroegere bewoning en moernering zien.

Als extra is er aan de zeedijk het middeleeuws zoutzieden te zien. Mensen van de AWN-Zeeland “vrijwilligers in de archeologie” proberen bruikbaar zout te maken met het opgeslagen zout in verzilt veen uit de Westerschelde. In de middeleeuwen was zoutwinning een belangrijke inkomstenbron in heel Zeeland.
Dit experiment is al enkele malen getoond in het Archeon en Terra Maris en de Karolingische Burg in Oost-Souburg. Nog steeds zijn er veel vragen over deze manier van zout maken. Het “geheime recept” is nu globaal bekend door onze proefnemingen maar veel details zijn nog onbekend. Twee studenten van de CSW in Middelburg gaan ons ondersteunen en doen proeven op hun laboratorum.

De geschiedenis van het oude Rilland eindigde in 1530/1532 toen na verschillende hoge vloeden in voorgaande jaren de dijken langs de Honte of Westerschelde weer doorbraken en het hele gebied in het oosten van Zuid-Beveland overstroomde. Na mislukte pogingen en geldgebrek om de gaten te dichten werd besloten om de dijken niet meer te herstellen. Pas eind 18e eeuw is dit gebied weer ingepolderd en bewoonbaar gemaakt.

Start 12.45 uur tegenover de boerderij bij de Zimmermanweg 7 te Rilland.
Het zoutzieden start om 14.00 uur op een plateau aan de zuidzijde van zeedijk halfweg de Dumoulinweg.

Graag voor deelname aan deze tocht opgeven bij de AWN-Zeeland.
Dicky de Koning: dickydekoning@zeelandnet.nl of tel.: 06-28615255

   

 

Verslag geofysisch onderzoek

 
 

Op vrijdag 18 en zaterdag 19 november heeft David Wilbourn, geassisteerd door zes AWN-ers, een onderzoek gedaan bij de oude dijkvoet en de gevonden huisplattegronden op de slikken van Oud-Rilland. Vanaf de hoofdmeetlijn zijn verschillende grids van 20m x 20m uitgezet en met bamboestokjes gemarkeerd. Metaal geeft verstoringen in het beeld , dus we konden de jalons niet gebruiken... Daarna liep David  met hoge snelheid met de magnetometer (zie foto) in de gemarkeerde stroken binnen het grid. Op deze wijze werden enkele kilometers door het soms zachte slik afgelegd, een zeer vermoeiend karwei.
Met speciale software werden de meetgegevens verwerkt op de computer en konden we al snel op de laptop de resultaten zien. Alle sporen zijn duidelijk waar te nemen, de dijk met sloot, de huisplattegronden maar ook een aantal onbekende lijnen zijn zichtbaar geworden. David stuurt de uitslagen  voorzien van zijn interpretatie nog door per e-mail. We kunnen dit geofysisch onderzoek dan vergelijken met onze meetgegevens, de luchtfoto’s en de foto’s gemaakt bovenuit de Westketel.
De eerste resultaten zien er goed uit, de magnetometer werkt heel goed in deze buitendijkse omstandigheden en er zijn nieuwe sporen aan het licht gekomen die nader onderzoek vergen voordat de erosie alles wegvaagt...
Jammer dat er slechts drie uur per dag gewerkt kan worden vanwege de opkomende vloed. Uitgebreider geofysisch onderzoek in het met slib bedekte gebied ten noorden van de hoofdmeetlijn is bovendien zeer wenselijk.

Dicky.

image
David Wilbourn in aktie (links), Hannie Louisse en Hugo Hartog assisteerden met het uitzetten van het grid.

image
Links het eerstgevonden fundament met schuin daaronder het tweede fundament. Achter de twee fundamenten naar het oosten, de z.g.n. weitjes. Geheel rechtsboven (apart vakje) sporen van de dijk en dijksloot die schuin naar beneden verder loopt in de richting van de laagwaterlijn.
   

 
Moernering op Oud Rilland  
 
top

Op de site van Oud-Rilland worden vele moerneringsputten aangetroffen. Binnen het kader van het archeologisch onderzoek op Oud-Rilland is het derhalve voor de hand liggend om  nader in te gaan op dit aspect. Als basis voor deze nadere beschouwing wordt het artikel “Middeleeuws zout uit de Delta”  van dr. K.A.H.W. Leenders gebruikt. Dit artikel pretendeert een samenvatting te geven van het tot nu toe gepubliceerde over dit onderwerp. In het navolgende wordt eerst een overzicht gegeven van passages uit het artikel die van belang zijn voor de situatie op Oud-Rilland. Vervolgens wordt nader ingegaan op de bevindingen van het onderzoek op Oud-Rilland.

Relevante passages

Terminologie
Moer is het gebruikelijke woord voor veen of veengebied.
Moernering is de productie van en handel in veenproducten.
Moerneringsput: een put waar het veen is  uitgegraven.
Turf is een brok gedroogd veen.
Darinkdelven is het steken van veen dat onder een sedimentdek zit.
Darink is het (zouthoudende) veen onder een laag zeeklei of zand.
Zel is as van verbrande darink.
Slik is het onbegroeide buitendijkse land dat bij  iedere vloed onder loopt.
Schor of gors is het begroeide en alleen bij hoge vloed onderlopend buitendijks land.

Het veenlandschap van de  delta
Het veen is tussen 3100 en 1700 voor Chr. geleidelijk de gehele  delta gaan bedekken. Daarin was een verticale  opeenvolging van eutroof  (voedselrijke omgeving) tot oligotroof (voedselarme omgeving) veen. De veenlagen zijn 1 tot 1,5 dik en liggen op een niveau van 2 tot 3 meter onder NAP. Rond het begin van de jaartelling lag het veen nog rond  0,6 tot 2 m boven NAP. Het veen is door klink en samenpersing  aanzienlijk dunner geworden.
Aan het einde van de derde eeuw leidden de stijging van de zeespiegel en de inklinking tot overstromingen. Alleen in het oosten kon het veen nog doorgroeien tot in de vijfde eeuw.
Het veengebied raakte met  zoutwatergeulen doorsneden en werd met een sedimentlaag bedekt. Tegen het einde van de negende eeuw hadden de slikken zich tot schorren ontwikkeld die niet meer regelmatig werden overstroomd.
Vanaf de twaalfde eeuw werden delen van de gorzen bedijkt, waardoor zowel binnen- als buitendijks darink voor kwam. Dit verklaart waarom later darink vooral op twee plaatsen lijkt voor te komen, in de vroeg bedijkte laaggelegen poelgebieden en buitendijks.

Binnendijks darinkdelven
Binnendijks zijn in Zeeland vele duizenden hectaren veenhoudende grond vergraven. De literatuur geeft weinig aanwijzingen  voor middeleeuwse darinkdelverij binnendijks ten behoeve van de zoutwinning. Slechts de keur van Zeeland uit 1256, waarin een legschattarief op binnendijks darinkdelven voor zoutwinning gesteld wordt, duidt op deze activiteit. Uit een lange reeks verboden  uit de late  Middeleeuwen blijkt dat binnendijks  darinkdelven voor dat doel  zo niet ongebruikelijk dan toch in ieder geval taboe was.
Waarschijnlijk werd binnendijks uitsluitend darink gedolven voor gebruik als brandstof. Later kan daar ander gebruik zijn bijgekomen: turf voor steenovens en kalkovens.
Alle berichten wijzen erop dat men voor het zout de darink vooral buitendijks, waar de sedimentlaag het dunste was, ging halen.
Merkwaardig is dat de schrijver in zijn slotwoord De Wilde Moeren in oostelijk Zuid-Beveland noemt als voorbeeld van landvernieling ten gevolge van zoute moernering.

Weggraven van veen, het darinkdelven
Aan de hand van het schilderij “darinkdelven” uit Zierikzee worden de volgende opmerkingen gemaakt:
Met een  platte ijzeren schep met een lang smal blad, ongeveer 10 cm breed en 30 cm lang wordt de klei verwijderd.
De “Tegenwoordige Staat” meldt dat het veen met een brede spade of bot in langwerpige  vierkante stukken gestoken werd.
Het schilderij laat zien dat de turf met een verticaal steekgereedschap, spade of greef, wordt uitgestoken.
De werkwijze bij het binnendijks putten graven lijkt streeksgewijs verschillend te zijn geweest. Bij het bloksysteem was de lengte van de put enkele malen de breedte. Tussen de putten bleef een strook veen staan om als waterkering met de buurput te dienen. In de zestiende eeuw maten deze putten 12 bij 5 meter. Zeer plaatselijk kwam  een  sleuvensysteem voor met lange gaten van 3 meter breed, met een zetwal ernaast. Deze zijn aangetroffen op Zuid- Beveland.
Door de geringe waterdoorlatendheid van het veen kon men de binnendijkse putten redelijk droog houden en veelal volledig uitdelven.  Alleen het onderste laagje van ongeveer 10 cm onbruikbaar kleiig rietveen liet men zitten.

Het drogen van de turf en het maken van as
De nog natte turf moest gedroogd worden. De blokken turf werden opgestapeld als een ronde holle vorm waar de wind goed doorheen kon waaien.
Ingeval van het gebruik voor brandstof werd de gedroogde turf afgevoerd per schip of kar.
Voor de zoutproductie werd de turf na te zijn gedroogd ter plekke verbrand tot zel.
In Noord-Friesland werd in dichtgeslibde turfputten verspoelde as van zoute turf aangetroffen.

Het vervoer van de zel
De zel werd in zakken gedaan en vervolgens per schip naar de zoutketen vervoerd. Hierbij werden soms  grote afstanden afgelegd. 

Zoutketen,  industriewijkjes
Het lijkt  erop dat de zoutketen flinke rietgedekte schuren waren met afmetingen van 20 bij 10 meter.
De vroegste zoutziederij moet wel buiten de steden hebben plaats gevonden, eenvoudig omdat er toen nog geen steden waren. In de late  Middeleeuwen worden de zoutziederijen geconcentreerd bij de steden. In Tholen is er in 1350 al een pannengilde.
In Bergen op Zoom is in 1537 sprake van 11 zoutzieders, Reimerswaal wordt vermeld met een apart  zoutziederswijkje, in Tholen stonden in 1340 38 zoutketen. Alle zoutketen lagen buiten de stad aan het water.

Het begin van  het darinkdelven
In 775/776 ontving de abdij Lorsch als schenking 17 culinas ad sal faciendum. Het zou hier kunnen gaan om zoutziederijen. 
De Sint Gertrudisabdij van Nijvel bezat in 877 in Frisia terram et mancipia ad salem. Het zou hier gaan over de omgeving van Yerseke en Oud-Rilland.
In een reisverslag uit de tiende eeuw blijkt dat schaapherders blokken grond uitgraven, drogen en verbranden.
Dekker spreekt van moernering in het algemeen, zowel voor zout als voor brandstof, in de kommen van het Oudland van Zuid-Beveland. Vanaf ieder dorp op de kreekruggen loopt een weg de Poel in. De occupatie van de poelgebieden wordt door hem gedateerd op de elfde eeuw of later.
Op Zuid-Beveland zijn moerputten gevonden die bij elfde en twaalfde eeuwse overstromingen zijn vol geslibd.
In het huidige Friesland  is met C14 dateringen vastgesteld dat er in de achtste eeuw veen werd gestoken.

Het einde van de zoutwinning
Grootschalige zoutwinning uit darink werd tegen 1480 beëindigd.

Oud-Rilland
Onderstaand worden de bevindingen van Leenders afgezet tegen de situatie zoals aangetroffen op Oud-Rilland.

Het veenlandschap van Oud-Rilland
De Rijksgeologische Dienst heeft omstreeks 1970 door middel van boringen een geologisch lengteprofiel over de zeedijk van de Reigersbergsche polder opgesteld ter hoogte van het onderzoeksgebied Oud-Rilland. Hieruit blijkt dat het veen ter plaatse van de zeedijk 2 tot 3 meter dik is. De onderkant van het veenpakket ligt gemiddeld op een diepte van 5 meter onder N.A.P., de bovenkant op gemiddeld 2 meter onder N.A.P. Uit boringen die ter plaatse van het baken Middenketel door AWN-leden zijn uitgevoerd blijkt dat het veenpakket ter plaatse van een gemoerneerd gebied 2,5 meter dik is en ter plaatse van een niet-gemoerneerd gebied 4 meter dik. De onderkant van het veenpakket ligt in beide gevallen op ongeveer 5 meter onder N.A.P. De bovenkant ligt in het eerste geval op 2,5 meter onder N.A.P. en in het tweede geval op 1 meter onder N.A.P. In alle situaties ligt het veenpakket direct op het pleistocene zand.
Uit het bovengestelde blijkt dat het veenpakket uitzonderlijk dik is en de veenvorming ter plaatse van Oud-Rilland aanzienlijk langer heeft plaats gevonden dan gemiddeld elders in Zeeland. 

Moerneringsputten
Nabij het baken Westketel komen bij laagwater langs de ebwaterlijn een tiental moerneringsputten boven water. De klei die oorspronkelijk in de putten lag is gedeeltelijk opgelost en door de sterke stroming afgevoerd. De klei die tot het oorspronkelijke maaiveld boven op de putten lag is geheel afgevoerd.
De breedte van de putten varieert van 2 meter tot 2,5 meter. De lengte van de putten varieert van 7,5 meter tot 14 meter.  De  putten zijn van elkaar gescheiden d.m.v. smalle stroken niet verwijderd veen van 50 cm  breed. Alle putten lopen ongeveer in de richting noord-zuid. Langs de wanden van de putten zijn regelmatige spadensteken zichtbaar op een onderlinge afstand van 20 cm. De putten zijn tot ongeveer 1 meter uitgegraven. Daaronder bevindt zich nog een dikke laag veen. De putten zijn dus in tegenstelling tot de gebruikelijke gang van zaken niet geheel uitgedolven. Het lijkt er op dat een diepte van 2 meter onder het maaiveld het maximaal haalbare was.
Nabij de moerneringsputten bevinden zich de restanten van een opgehoogde en gedeeltelijk met puin versterkte weg van ongeveer 3 meter breed met aan beide zijden een sloot van ongeveer 2 meter breed. De weg loopt in de richting noord-oost. Het is aannemelijk dat de weg en de sloten een functie hebben gehad bij de afvoer van turf of zel.
 
Verschillende soorten turven
Er zijn drie soorten turven aangetroffen.
In de eerste plaats turven in de nabijheid van de moerneringsputten. Afmetingen zijn: hoogte 9 cm, breedte 12 cm,  lengte 20 cm. Zowel zijaanzicht als bovenaanzicht zijn parallellogramvormig. Het gaat hier waarschijnlijk om turven voor zelnering of brandstof.
De tweede soort turf werd aangetroffen in grote aantallen in de oostelijke berm van de dijkzate nabij het baken Middenketel. Waarschijnlijk dienden deze kleine turven voor verbreding en versterking van de berm van de dijk. Voor 1550 werd geen natuursteen gebruikt voor versterking van dijkbermen. In Bergen op Zoom zijn dergelijke turven veelvuldig aangetroffen als versterking van slootkanten. Leenders heeft in de door hem onderzochte literatuur deze toepassing niet aangetroffen. Afmetingen zijn: hoogte 6 cm, breedte 12 cm, lengte 14 cm. Bovenaanzicht is een vierkant. Zijaanzicht is parallellogramvormig.
De derde soort turf werd aangetroffen op de dijkzate. Afmetingen hoogte 9 cm, breedte 25 cm, lengte 30 cm. Kennelijk werden deze grote veenkluiten naast kleikluiten gebruikt voor de vorming van het dijklichaam. Ook in Noord-Holland zijn veenkluiten aangetroffen in dijklichamen.  
Geconcludeerd kan worden dat het veen voor meer doeleinden dan door Leenders aangegeven, werd gebruikt. Voor het steken van het veen werd kennelijk een schop met een plat ijzeren 20 cm breed blad gebruikt. Leenders spreekt over vierkante stukken veen. De aangetroffen turven hebben een uitgesproken vorm. Kennelijk werd er schuin uitgestoken om zo efficiënt mogelijk te werken.

Nader onderzoek en documentering
Omdat er volgens Leenders betrekkelijk weinig bekend is over de moernering in de  Middeleeuwen lijkt het de moeite waard om de eerste verkenning die uitgevoerd is nader te verdiepen. Interessant zou onder andere zijn om tot dateringen te komen van de onderkant en bovenkant van het veenpakket en indien mogelijk tot datering van de uitgevoerde moerneringen. Ook het gedetailleerd opmeten en op tekening zetten van de moerneringsputten, wegen en sloten lijkt nuttig.

Ron Wielinga

image
 
top