home >>> wat doen wij >>> overzicht archief wat doen wij >>> archief xii
   
Verslag zoutzieden op Terra Maris (zomer 2014) I - II - III - IV - V - VI - VII - VIII - IX - X
Speuren op het kerkhof (herfst 2014) XI - XII - XIII - XIV - XV - XVI - XVII - XVIII
bullit Kogelpot Valkenisse herontdekt (najaar 2014)  
bullit Een vondst van Waarde (najaar 2014)  
Van de Werkgroep Archeologie Hulst (2014)  
De getuigen van acht eeuwen kerkgang (najaar 2014)  
 
Verslag zoutzieden op Terra Maris image

Op de voorgrond geeft Colette als “keetwijf” uitleg over nat zout veen en het
verschil met droog zout veen. Foto: Leo den Heijer.


image

“Keetwijf” Gerda laat kinderen proeven van het “pekelwater” zodat ze echt
beleven wat het is: zeewater met opgelost zout uit turf-as. Foto: Leo den Heijer.


image

Fred, Dicky en Jo zijn - via verdamping - aan het zoutbereiden.
Foto: Leo den Heijer
 

Zoals de laatste jaren gebruikelijk plaatste Dicky de Koning al in het voorjaar een oproep aan alle AWN’ers om mee te doen aan de demonstratie zoutzieden tijdens de ‘middeleeuwse dagen’ op Terra Maris, bij kasteel Westhove te Oostkapelle. Op deze middagen, ‘Spelen en spijzen’ genaamd, laten AWN-leden zien hoe de zoutwinning in de middeleeuwen hier aan de kust tot stand kwam. Inmiddels heeft de AWN al veel ervaring hierin vanwege de vraag naar demonstraties her en der in de provincie.
De laatste twee dinsdagen van juli en de eerste twee van augustus vinden er allerlei leuke middeleeuwse activiteiten plaats op het terrein van Terra Maris. Er is een mottekasteel met een echte ‘Vrouwe’ en ‘Heer’ en jonge bezoekers kunnen aanvallen op het kasteel uitvoeren. Er loopt een schaapherder rond die met zijn honden een kudde schapen laat grazen. Er is muziek, een kruidenvrouwtje, een heks en een kwakzalver, er is een ringsteekspel te paard, je kunt wol vilten, stokbrood bakken boven een kampvuur, speerwerpen, met pijl en boog schieten, kortom, er is allerlei vermaak in middeleeuwse sfeer, begeleid door mensen in ‘middeleeuwse kledij’.
Daar staat dus ook een kraam tussen met een aanschouwelijke presentatie over zoutwinning bestaande onder andere uit foto’s, boekjes, stukken veen, zel-as, pekel, kortom, alle benodigdheden om te laten zien hoe vroeger zout gewonnen werd uit zout veen. En natuurlijk twee flinke vuren voor de visualisering. Als het waait is het geen pretje, want de vuren roken en stinken nogal, en dat was in de middeleeuwen ook zo. Vanwege het brandgevaar stonden de zoutketen dan ook aan de rand van de stad. Werken in de zoutketen werd voornamelijk door vrouwen gedaan en het was een zeer ongezonde situatie. Deze ‘vergeten industrie’ werd een jaar of acht geleden nieuw leven ingeblazen door leden van de AWN die ten behoeve van een experiment nat zout veen uit de Westerschelde haalden (pff, wat een werk als ik er nog aan terugdenk!). Dat zoute veen werd gedroogd en later werd er in het Archeon in Alphen aan de Rijn gedemonstreerd hoe zout werd verkregen d.m.v. verdamping.
Deze wijze van zoutwinning is uiteraard leuk om op educatieve wijze ‘en plein public’ uit te voeren.
Afgelopen dinsdag deden we dat dus weer met vier personen. Dicky de Koning, ons beste keetwijf, stond achter de kraam en gaf uitleg, Dirk hakte de gedroogde boomstammetjes in mooie brandbare stukken en stookte de vuren, Martin gaf deskundige uitleg aan wie er ook maar langskwam en ook ondergetekende probeerde in zijn beste Duits de mensen wijs te maken hoe er vóór 1500 zout werd verkregen uit zout veen. Intussen brandde het vuur onder een grote schaal met gedroogd zout veen (dat brand slecht uit zichzelf) en werd op een tweede vuur een pekelwateroplossing verhit. Het publiek genoot van onze demonstratie. We lieten het publiek ook proeven van de verschillende ingrediënten zoals: zeewater, het ‘bremzoute’ pekelwater en natuurlijk van ons ambachtelijk product zout. Een Duitse kok wilde zelfs ons gewonnen zout kopen!
Veel ouders met kinderen deden de ‘eiproef’ waarbij ze een ongekookt ei in een emmer met zel-as en zeewater lieten zakken; het ei blijft door het soortelijk gewicht van het pekelwater drijven als het zoutgehalte voldoende is!
Dirk verzamelde trots het gewonnen zout uit de pan en deed het in een geglazuurd aardewerk bakje.
We werden aan het einde van de middag getrakteerd op broodjes en krentenbollen die we ons goed lieten smaken. Na een middag die voor ons gevoel omvloog was het al snel weer 19.30 uur en moest er opgeruimd worden.

Ook de daarop volgende dinsdagen waren vrijwilligers van de AWN aanwezig om een demonstratie te geven van het middeleeuws zoutzieden. Veel toeristen, maar ook inwoners van Zeeland hebben we kunnen vertellen en laten zien hoe dit proces ongeveer in zijn werk ging. Een leuke ontmoeting was die met een paar Engelse toeristen uit Rye die vertelden over de ‘peat mud flats’ in de buurt waar ze woonden en dus veel herkenbaars zagen.
Veel dank aan deze trouwe zoutzieders: Leo den Heijer, Gerda Kap, Fred en Colette Verwaal, Martin Daams, Jo Ruben, Jaap Geensen, Harry Koster en Dirk Lukassen van de Heemkundige Kring ‘De Bevelanden’ en natuurlijk ons keetwijf Dicky, die alles elk jaar weer organiseert.

Leo den Heijer en Dicky de Koning

   

 
Speuren op het kerkhof  
 
Dat de leden van de Werkgroep Archeologie Hulst bereid zijn om ook buiten de gemeentegrenzen de handen uit de archeologische mouwen te steken bleek op woensdag 22 oktober jl. Op die gelukkig droge, maar winderige middag werd het oppervlak van de kerktuin, d.w.z. het voormalige kerkhof van Zaamslag, op verzoek van Richard Lensen afgespeurd naar bouwresten van de twee voorgangers van het huidige kerkgebouw.
Richard, afkomstig uit Zaamslag, studeert archeologie in Leiden en is daar lid van de AWN. Hij weet veel van de geschiedenis van zijn geboorteplaats, vooral van het kasteel en de kerk.

Volgens Richard moest het oudste exemplaar opgetrokken geweest zijn in Doornikse kalksteen, maar aan de exacte locatie – op de plaats van het huidige gebouw of er naast – wordt getwijfeld. Dit kerkje is trouwens net als heel Zaamslag verdwenen tijdens de oorlogshandelingen, plunderingen en inundaties tijdens de voor Noord-Vlaanderen zo rampzalig verlopen Tachtigjarige Oorlog. Toen in de tweede helft van de 17e eeuw het verdronken land weer was drooggelegd ontstond een nieuw Zaamslag op de plaats van het oude en werd het bevolkt met protestantse inwijkelingen van over de Schelde. Zij bouwden een vrij klein, rechthoekig gebedshuis, dat later vervangen werd door de huidige, veel grotere kerk. In de toren ervan zijn nog enkele delen van o.a. de voormalige ingang bewaard gebleven.

Na deze uitleg gingen we aan de slag. De kerktuin was onlangs van de oude beplanting ontdaan en de grond was dus behoorlijk omgewoeld. Dat vergrootte de kans op vondsten aanzienlijk. Een nadeel was wel dat het de dag tevoren flink hard had gewaaid en er dus erg veel bladeren op de grond lagen. Maar daarom niet getreurd. Er werden vakken van vijf bij vijf meter uitgezet en die werden stuk voor stuk minutieus afgespeurd. We vonden veel hele en gebroken bakstenen die aan de tweede kerk toegeschreven konden worden, maar natuursteen dat afkomstig zou kunnen zijn van de middeleeuwse kerk kwam niet of nauwelijks te voorschijn. En omdat we op een voormalig kerkhof bezig waren kwamen we uiteraard regelmatig menselijk botmateriaal tegen. Ook dit werd op verzoek van Richard verzameld. Alle vondsten werden summier beschreven en de vindplaats genoteerd.
Om vijf uur hielden we het voor gezien en werden de vondstzakken, de vondstlijsten en de piketten bij Richard ingeleverd. Hij zal nu voor de verdere verwerking en een verslag moeten zorgen. Wij van onze kant dronken in de plaatselijke herberg nog een welverdiend glas bier en vertrokken weer naar Hulst.

Tijdens deze actie is niet gegraven; er zijn alleen oppervlaktevondsten verzameld en Richard had van te voren contact gehad met het kerkbestuur, de gemeente en de SCEZ.

Mark Zwartelé, WAH


Moeilijk zoeken tussen die bladeren. Foto: Richard Lensen
   

 
Kogelpot Valkenisse herontdekt  
 
button

Vrijdag 23 mei jl. werd in het dorpshuis MeerWaarde te Waarde de tentoonstelling “De zee neemt en de zee geeft”, ingericht door de AWN-afdeling Zeeland met medewerking van het Zeeuws Archeologisch Depot, geopend. Voorafgaand aan de openingslezing van adviseur archeologie Robert van Dierendonck (SCEZ) werd deze opmerkzaam gemaakt op de vondst van een kleine kogelpot in 1972. De archeologisch complete pot - alleen van de rand ontbrak een flink gedeelte - was gevonden door de toen 10-jarige René van Weele uit Waarde. Bijzonder is dat het dertiende-eeuwse potje is gevonden in het schor, toen de resten van Valkenisse nog onder datzelfde schor verborgen lagen. Die resten zijn pas circa 1990 aan het licht gekomen tijdens de erosie van het schor.
Nader onderzoek wees uit dat de vondst via dhr. H. de Kunder, toen onderwijzer in Waarde, thans wethouder van Reimerswaal, was gemeld aan de ROB-correspondent Bas Oele, de latere assistent provinciaal archeoloog. Bas Oele heeft de vindplaats en de bijna gave pot toen gedocumenteerd en de kogelpot gerestaureerd door het deel van de ontbrekende rand aan te vullen. Omdat de documentatie van de vondst niet meer volledig was is deze aangevuld met nieuwe foto’s en een tekening.
De aangevulde rand was inmiddels weer afgebroken en het verzoek van de vinder was of deze opnieuw kon worden gerestaureerd. De SCEZ heeft deze eenvoudige restauratie uitgevoerd op voorwaarde dat het potje een jaar lang voor het publiek te bezichtigen zou zijn in de genoemde tentoonstelling in Waarde. Op zaterdag 23 augustus heeft het kogelpotje zijn tijdelijke plaats gekregen in de vitrine van het dorpshuis MeerWaarde.

Robert van Dierendonck

image
Dertiende-eeuwse kogelpot (hoogte 10,6 cm) van het verdronken Valkenisse uit het schor van Waarde na de nieuwe restauratie. Foto: Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland.
   

 
Een vondst van Waarde  
 
button
Op zaterdag 23 augustus 2014 werd de tentoonstelling in het Dorpshuis ‘MeerWaarde’ in Waarde uitgebreid met een kogelpotje met een bijzondere geschiedenis (zie het artikel van drs. R.M. van Dierendonck hierboven).
In de expositie bevindt zich ook een complete grijze waterkan waarover iets valt te vertellen. Hieronder wordt deze kan, die al heel lang (op het ogenblik dat u dit leest 186 jaar), deel uitmaakt van de collectie archeologische voorwerpen van het KZGW, even in het zonnetje gezet.
 
  image
Vondst voor het voetlicht
 

Uit: Nieuwsbrief Archeologie nr. 6, maart 1999, informatieblad Provincie Zeeland.

De rubriek ‘Vondst voor het voetlicht’ is onder andere opgezet om voorwerpen te presenteren die niet eerder in een archeologisch verslag werden opgenomen. Het is de bedoeling dat het hierbij niet alleen om
recente vondsten gaat, maar ook om voorwerpen die zich al langer in de collectie van het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten (PDB) bij de SCEZ bevinden.

Het voorwerp dat ik in deze aflevering voor het voetlicht plaats bevindt zich al lang in de collectie, om precies te zijn 171 jaar! Het betreft een grijze waterkan van 26,5 centimeter hoog uit het begin van de vijftiende eeuw. De vermelding dat de kan zich al zo lang in de collectie bevindt, vraagt om enige uitleg. Immers, officieel wordt het PDB dit jaar (1999) achttien jaar. Het is dus nog maar net volwassen. De Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek ROB (nu RCE), die het afgelopen jaar haar vijftigjarig bestaan vierde, is als organisatie ook niet oud genoeg om deze vondst te claimen, dus hoe zit het nu precies? Naast de grote collectie bodemvondsten die het PDB als ‘eigen bezit’ beheert is er de collectie bodemvondsten van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (KZGW) opgeslagen. Deze organisatie (die dit jaar de respectabele leeftijd van 245 jaar bereikt) komt de eer toe als een goed huisvader al deze jaren over vele vondsten te hebben gewaakt, inclusief de kan die hier wordt beschreven. De laatste 33 jaar vindt de feitelijke opslag plaats bij het PDB/SCEZ; het gaat dan om voorwerpen die – permanent of tijdelijk – niet in de opstelling van het Zeeuws Museum passen, maar wel van belang zijn voor de Zeeuwse archeologie.
Terug naar de kan die we deze keer voor het voetlicht plaatsen. De eerste vermelding die ik hierover dankzij mijn collega, documentalist J.J.B. Kuipers, kon vinden, stamt uit de ‘Catalogus 1890’ van het KZGW, waarin onder het volgnummer 178 het onderstaande is vermeld: Steenen pot van grauwe aarde, onverglaasd en zonder figuren, met een scheef aangezet oor, met zes pooten overeenkomende met die uit Reimerswaal, hoog 26,5 cm. Gevonden in 1843 bij het dorp Waarde, drie meters onder de grond, op de plaats waar in de 13e eeuw een slot moet hebben gestaan en die nog tot op heden als de kasteelberg bekend is.’
Later is hier in de cartotheek nog de volgende tekst aan toegevoegd:
‘ Kan van blauwgrijs aardewerk; 6 uitgeknepen voetjes; rolrond oor; korte hals zonder ribbels; schouder eveneens glad; datering 15e eeuw’.
Volgens deze gegevens komt de kan dus van een terrein dat lokaal bekend staat als kasteelterrein. Inmiddels zal dit terrein wel in de vergetelheid geraakt zijn. In de Berichten van de ROB, jaargang 8, 1957-1958, lezen we op pagina 153 het verslag van een waarneming van oud-provinciaal archeoloog ir. J.A. Trimpe Burger. Door hem werden onder andere funderingsresten aangetroffen ‘van een 14e – 15e eeuws bouwwerk, waarvan wij de geschiedenis niet kennen’. Deze waarneming gebeurde tijdens het afgraven van de kasteelberg in 1957. Coördinaten van het terrein: X:063.10 – Y:381.85. Verdere gegevens over het terrein ontbreken. Ook over de vondst van deze kan in 1843 is verder niets bekend. Gaat het hier om een solitaire vondst? Komt deze uit de kasteelgracht, of uit een beer- of waterput? Waren er ook nog andere vondsten?
Tegenwoordig letten we veel meer op vondstomstandigheden en archeologische complexen als geheel, dan op afzonderlijke voorwerpen. Tenzij uiteraard zo’n voorwerp boven het gemiddelde uitstijgt vanwege waarde, vorm en/of baksel. En daar gaat het hier niet om. De ‘waterkan’ is vervaardigd van zogenaamd gesmoord aardewerk, dat wil zeggen dat de luchttoevoer tijdens het bakproces bewust is afgesloten (reducerend bakken). Hierdoor werd de kan aan de buitenkant donkergrijs. Dit in tegenstelling tot een kan vervaardigd van dezelfde klei, waarbij echter tijdens het bakproces de luchttoevoer constant open blijft (oxiderend bakken) . Door het in de klei aanwezige ijzer kleurt de kan dan rood. Doordat roodbakkend aardewerk poreuzer is dan grijs aardewerk, worden de rode exemplaren gedeeltelijk of geheel bedekt met loodglazuur. Dit laatste maakt het product echter duurder, dus kwam het goedkopere grijze aardewerk tot circa het midden van de vijftiende eeuw frequent voor. Door de geringe porositeit van het grijze vaatwerk was dit bovendien bij uitstek geschikt voor opslag en/of vervoer van water. Pas omstreeks 1550 verdween het grijze aardewerk volledig en werd het vervangen door rode geglazuurde keramiek die beter gereinigd kon worden.
Waterkannen zoals het hier afgebeelde exemplaar uit Waarde komen redelijk vaak als bodemvondst voor, maar liggen dan meestal in scherven. Het gaat dan ook altijd om voorwerpen van redelijk groot formaat en hoe groter het voorwerp, hoe groter de kans op breuk. Het feit dat de kan in 1843 gaaf werd aangetroffen is dan ook wel de reden dat deze zo goed werd bewaard. Generaties beheerders zijn sindsdien zo zorgvuldig met deze kan omgesprongen dat we haar vandaag de dag nog steeds in dezelfde gave toestand kunnen presenteren als 171 jaar geleden.

Henk Hendrikse, depotbeheerder.
Bewerking: Dicky de Koning.

   

 
Van de Werkgroep Archeologie Hulst  
 
button

Enige tijd geleden is de Werkgroep in samenwerking met Stadsarchivaris A. Prinsen begonnen met het samenstellen van een publieksvriendelijk boekje over de opgraving ''Onder de Toren". Deze vond in 2005 plaats in - zoals de naam al min of meer aangeeft - het centrum van de oude binnenstad van Hulst.
Het is de bedoeling een voor ieder begrijpelijk beeld te geven van de bouw- en bewoningsgeschiedenis van deze locatie. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het rapport van ArcheoMedia ( het bedrijf dat de opgraving uitvoerde ), de stadsarchieven en de eigen ervaringen als amateur-archeoloog tijdens het werk. Bovendien zal aandacht besteed worden aan de interessantste en mooiste vondsten die op het terrein en in beer- en waterputten werden aangetroffen. Voor dit laatste was het nodig om van de vondsten die inmiddels in het depot van de SCEZ in Middelburg zijn opgeslagen een selectie te maken en deze te fotograferen.
Na gevraagde en verkregen toestemming van depotbeheerder Henk Hendrikse zijn vier leden van de werkgroep, Frits, Eddy, Dicky en Mark, onlangs twee dagen met dit karweitje bezig geweest. Nadat door Henk was uitgelegd hoe het opbergsysteem in elkaar zit en ons - terecht - op het hart was gedrukt er toch vooral voor te zorgen dat alle voorwerpen weer in de goede doos terug zouden komen, werd met de klus begonnen. Dit betekende sjouwen met soms behoorlijk zware dozen, opletten dat de deuren niet te lang open bleven omdat anders de klimaatbeheersing van slag zou raken, voorwerpen selecteren, ze uitpakken en fotograferen, weer inpakken en de dozen op de juiste plaats terug zetten. Een leuke bijkomstigheid was dat de voorwerpen tijdens en kort na de opgraving in Hulst al een paar keer door onze handen waren gegaan zodat we vele malen letterlijk en figuurlijk met een oude bekende te maken kregen.
Tussen de bedrijven door - en zeker tijdens de koffiepauze en de lunchtijd - was gelegenheid voor een praatje met bekende en minder bekende medewerkers van de SCEZ. Al met al zijn we tijdens die twee dagen onder de indruk gekomen van de wijze waarop in Middelburg met de vondsten uit de Zeeuwse bodem wordt omgesprongen. En zeker moet de gastvrijheid waarmee we werden ontvangen en de bereidwilligheid om ons die twee dagen te helpen en te adviseren vermeld worden.

Mark Zwartelé.
Werkgroep Archeologie Hulst.

image
Vlaamse kan. Foto: Eddy Verschraegen.


image
Medaillon. Foto: Eddy Verschraegen.
   

 
De getuigen van acht eeuwen kerkgang
 

afb. 1. Historische foto uit de jaren 1890 van de dorpskerk van Zaamslag vóór de afbraak in 1898. Collectie auteur.




afb.2. Beeld van de zoekactie op het PKN-terrein. Foto: E. Galama-Rommerts, Stichting Zaamslag 850 jaar.




afb.3. Enkele stukken Doornikse kalksteen, behorende tot de oudste fase van de parochiekerk van Zaamslag. Foto auteur.




afb.4. Twee gesinterde bakstenen. De linkse, uit vak I, toont een kruisinscriptie. Foto auteur.




afb.5. Determinatie van het botmateriaal in het laboratorium, Universiteit Leiden. Foto auteur.




afb.6. Schedelfragmenten van een man van ongeveer 30 jaar oud. Foto auteur.
Klik op de foto voor een grotere afbeelding.




afb.7. Enkele op het terrein gevonden fragmenten van een goudse pijp. Foto auteur.




afb.8. Tibia van een adolescent van rond de 15 jaar oud. Foto auteur.
Klik op de foto voor een grotere afbeelding.




afb.9. Resten van een baby (l) en van een kind (r) van ca. 5-6 jr. Foto auteur.
Klik op de foto voor een grotere afbeelding.




afb.10. Metselwerk van de kerk te Biervliet op de achtergrond, op de voorgrond een baksteen van de Zaamslagse kerk. Foto auteur.




afb.11. Een oord uit 1643 en een centiem uit 1847. Foto auteur, coll. G.J. de Zeeuw.




afb. 12a. Muurwerk van de oude kerkhofmuur in de zuidoostelijke hoek. Foto auteur.




afb. 12b. Muurwerk van de oude kerkhofmuur bij de oostelijke ingang. Foto auteur.




afb.13. Verspreidingskaart van de vondsten op het PKN-terrein.
Klik op de foto voor een grotere afbeelding.
Archeologische veldverkenning op het PKN-terrein te Zaamslag
 
Inleiding
Het Plein in Zaamslag is de oudste bewoningskern van het dorp. Gesitueerd op een verhoging in het landschap (een kreekrug), was het een ideale locatie voor bewoning in de middeleeuwen. Mogelijk vestigde men zich daar reeds in de elfde eeuw, maar vanaf de twaalfde eeuw is zowel archeologisch als historisch bewijs beschikbaar. De oudste vermelding van Zaamslag – als Sameslath – dateert uit 1163.

Op het Plein is veel ontwikkeling geweest met daarbij gepaard gaande graafwerkzaamheden. Helaas is weinig daarvan archeologisch begeleid en nog minder daarvan gedocumenteerd. Delen van het Plein bevatten de resten van de verschillende dorpskerken die het dorp rijk is geweest. Wellicht stond er ten tijde van de eerste vermelding in 1163 al een kapel of parochiekerk. Later bestond er een dorpskerk die volgens de kaart van Hoorenbault uit 1569 een kruiskerk was met een achtkantige vieringtoren. Deze kerk ging verloren in de Tachtigjarige Oorlog, toen in 1584 Zaamslag onder water werd gezet. In 1658 werd een nieuwe kerk gebouwd (ditmaal een protestantse), een zaalkerk met dakruiter zoals die onder meer in Nieuwvliet, Retranchement en Biervliet bewaard zijn. Rondom de kerk werd een kerkhof aangelegd met een muur daar omheen (afb. 1). Dit kerkhof raakte vanaf 1829 in onbruik, toen de nog bestaande begraafplaats aan de Veerstraat in gebruik werd genomen. De kerk kreeg een nieuwe toren in 1878 en uiteindelijk werd de kerkzaal in 1898-99 vervangen door het huidige gebouw.
 
Aanleiding
In het najaar van 2014 werd de kerktuin van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) te Zaamslag opnieuw aangelegd. Daarbij werd de bestaande vegetatie, bestaande uit onder meer struikgewas en lage begroeiing, grotendeels verwijderd. Hierbij kwamen verschillende archeologische resten aan het oppervlak, die met het verder egaliseren en opnieuw beplanten en inzaaien van het terrein onopgemerkt verloren zouden gaan. Een verzoek vanuit de “Stichting Zaamslag 850 jaar” aan de Werkgroep Archeologie Hulst resulteerde in een zoekdag op het terrein. Hierdoor werd ingesprongen op een zeldzame gelegenheid een relatief groot terrein middenin de dorpskern archeologisch te verkennen en te documenteren.
 
Methodiek
Om het component van de ruimtelijke verspreiding te behouden, werd gekozen voor een survey. Dit is een methode waarbij over het terrein wordt gelopen en interessante vondsten aan het oppervlak worden gedocumenteerd, in dit geval in vakken van ongeveer 5 bij 5 meter. Omdat de meeste vondsten vooralsnog gedaan waren op het noordelijke deel van de kerktuin, is daar begonnen met het zoekwerk. Leden van de Werkgroep Archeologie Hulst onder leiding van de auteur zochten per twee een vak af naar relevante resten. Ieder vak is vervolgens gedocumenteerd en de vondsten daaruit zijn verzameld (afb. 2).

Nadat de vondsten waren gewassen zijn ze onderzocht. De belangrijkste vondstcategorie was het menselijk botmateriaal. Dit is onderzocht door Liam Zachary in het osteologielaboratorium van de faculteit der Archeologie, Universiteit Leiden.
 
Onderzoeksvragen
Om houvast te bieden in het uitvoeren van het onderzoek (zowel de survey als het uitwerken daarvan), waren een aantal onderzoeksvragen nodig. Deze vragen maken het mogelijk specifieke problemen en vraagstukken op te lossen.
- Wat is de ruimtelijke verspreiding van het archeologische materiaal per categorie?
- Zijn er aanwijzingen te vinden voor de middeleeuwse parochiekerk(en), en zo ja, waar op het terrein?
- Wat kunnen de menselijke resten vertellen over de dorpsbewoners in de postmiddeleeuwse periode?
- Was het kerkhof voor alle lagen van de samenleving bestemd?
 
Resultaten
 
Eerste fase (ca. 12de eeuw-1584)
Eén van de onderzoeksvragen was specifiek gericht op het opsporen van resten van de middeleeuwse parochiekerk(en). Verwacht werd, op grond van het recent gepubliceerde boek ‘Het Plein te Zaamslag: een geschiedenis in kerken’, dat de oudste kerk wellicht meer naar het zuiden was gesitueerd en in eerste instantie uit Doornikse kalksteen was opgebouwd. Van de latere kruiskerk werd verwacht dat deze van baksteen was.

Tijdens de survey zijn in totaal zes stukken Doornikse steen gevonden (afb. 3). De stukken zijn van een dergelijke grootte dat het onwaarschijnlijk is dat het om looppadverharding gaat. Het is veeleer te verwachten dat dit materiaal behoord heeft tot de funderingen van de kerk (als bijvoorbeeld in Ten Duinen: baksteen op natuurstenen fundering), en/of het opgaand muurwerk. Helaas zijn er geen gebeeldhouwde of architectonische elementen onder de stukken Doornikse steen.

Een aantal brokken kloostermoppen zijn waarschijnlijk ook herleidbaar tot de parochiekerk. Dit is echter niet geheel zeker: het is uit eerdere observaties duidelijk geworden dat men in de zeventiende eeuw veel heeft gerommeld met dit materiaal. Huizen en funderingen werden in die tijd vaak uit hergebruikte middeleeuwse baksteen opgetrokken en puinlagen werden gebruikt als versteviging van de ondergrond. Een baksteen, voorzien van een kruisinscriptie en gesinterd door het bakproces, is wellicht van de parochiekerk afkomstig (afb. 4).

Enkele dikke, vrij onregelmatige dakleien zijn wellicht eveneens van de middeleeuwse kerk afkomstig. Dakleien van dit terrein blijven echter lastig te determineren vanwege het aantal kerken en restauraties daaraan op deze plaats. Mogelijk waren gedeelten van het kerkdak voorzien van keramische daktegels. Een aantal stukken daarvan, voorzien van nok en mortel, zijn tijdens de survey gevonden.

Een tweetal stukken van  kogels duiden op de laatste periode van de parochiekerk: de Tachtigjarige Oorlog en de ondergang van de middeleeuwse bebouwing.
 
Tweede fase (ca. 1650-1898)
Amateurarcheoloog Gerrit de Zeeuw had bij de werkzaamheden aan de torenkabels een fundering waargenomen die parallel aan de kerk gesitueerd was, vanaf het kleine zijdeurtje in de toren oostwaarts. Zeer waarschijnlijk is dat de zijmuur van de oude dorpskerk uit 1658, waarvan de hoogte nog zichtbaar is als grijze punt op de achterkant van de kerktoren.

Menselijk botmateriaal: oog in oog met de dorpsbewoners
Het onderzoeksterrein was in deze fase in gebruik als kerkhof. Het nog bestaande begraafboek maakt duidelijk dat deze begravingen plaatsvonden tussen 1654 en 1829; in het laatstgenoemde jaar werd de nog bestaande begraafplaats aan de Veerstraat in gebruik genomen. Tijdens de survey werden in totaal 112 fragmenten van menselijk botmateriaal aangetroffen. De determinatie van dit materiaal werd uitgevoerd door Liam Zachary, masterstudent Human Osteology aan de Universiteit Leiden (afb. 5).

Uit deze determinatie bleek dat het minimum aantal individuen uit zes bestond (maar waarschijnlijk een veelvoud daarvan). Het materiaal is in behoorlijk slechte staat. Waarschijnlijk is dit te wijten aan de wortelgroei en het regelmatig spitten en graven in de kerktuin. De meest ondiepe graven liggen naar alle waarschijnlijkheid ook niet diep onder het maaiveld.

Aan de noordkant van het terrein zijn veel fragmenten van een schedel gevonden (afb. 6). Het ging hier om de resten van een mannelijk individu van ongeveer 30 jaar oud. Helaas was er weinig overgebleven van het gezicht. Een stuk van de bovenkaak leverde nog nadere informatie op. In dit fragment is een rij tanden aanwezig, evenals een stuk van het verhemelte. Twee boogvormige afwijkingen tussen de tanden (een slijtage) zijn pipe notches ofwel een uitgesleten plaats waar men een goudse pijp tussen de tanden klemde. Deze man heeft dus gerookt en zal daarbij het karakteristieke beeld hebben vertoond dat op  meerdere zeventiende- en achttiende eeuwse schilderijen staat afgebeeld. Mogelijk als gevolg van dit roken heeft het individu infecties aan het tandvlees en verhemelte gehad. Van dergelijke goudse pijpen zijn fragmenten gevonden tijdens de survey (afb. 7). Waarschijnlijk was het een gewoonte om tegen de kerkmuur te roken; dit bleek uit de vele stukken van pijpen rond de muur tijdens de heraanleg van het Plein (rond 2000).

In de buurt werden de resten van één of meerdere jongeren gevonden (vak B en omgeving). Het betreft onder meer een bovenbeen (tibia) van een jongere van ongeveer 15 jaar (afb. 8). Dit blijkt onder meer uit de onvolledige vorming van het kogelgewricht; die vorming wordt afgerond tussen 16- en 18-jarige leeftijd.

Op het zuidelijke terrein, oftewel de zuidoostelijke hoek van de kerktuin, zijn ook grote hoeveelheden menselijk bot gevonden.

Opvallend waren de resten van kinderen in dit gebied. Zo werd hier onder meer een gedeelte van een schedel (gehoorhuis) en een rib van een kind van ongeveer 5 of 6 jaar gevonden. Een zeer klein bovenbeen (een rechter tibia) en een gedeelte van de schedelbasis behoorden tot een baby van hooguit een jaar oud. Beide gevallen (zie afb. 9) verwijzen naar de (soms) schrikbarend hoge kindersterfte in het verleden, waarbij jonge kinderen vatbaar waren voor allerlei ziektes en infecties. Uiteraard waren verschillende gedocumenteerde uitbraken van de pest in Zaamslag, zoals in 1666, ook funest voor alle andere leeftijden.
 
Bouwmateriaal
Het bouwmateriaal omvat voornamelijk baksteen (formaat 23 x 11 x 5 cm) en stukken daklei. Helaas is niet uit de historische foto’s op te maken wat het metselverband van de oude kerk was, maar op basis van de nog bestaande parallellen ligt het kruisverband voor de hand (afb. 10). Gezien de grote hoeveelheid bakstenen van deze dorpskerk, lijkt het erop dat het puin niet al te grondig werd afgevoerd bij de sloop in de zomer van 1898.

Een aantal stukjes muurpleister behoort ook tot de vondsten van het terrein. Omdat het huidige kerkgebouw nog bestaat, is het waarschijnlijk dat deze van de oude kerk afkomstig zijn. Het materiaal is op basis van kalk maar komt niet overeen met het zachte stucwerk uit de zeventiende eeuw (zoals dat hier en daar in Zaamslag nog origineel kan worden aangetroffen), waardoor een nieuwe stuclaag uit de negentiende eeuw meer voor de hand ligt.
 
Metaal
Metaalvondsten uit deze periode zijn ondermeer verschillende stukken ijzer, mogelijk deurbeslag, en spijkers. Bijzondere vondsten werden gedaan door Gerrit de Zeeuw, die onder meer een oord uit 1643 vond en een Belgische centiem uit 1847 (afb. 11). De oord is betrekkelijk vroeg voor de nieuwe bewoning van het Plein, maar is mogelijk aangezien de munt langere tijd in omloop kan zijn geweest. Bovendien was het geïnundeerde Zaamslagse gebied al tientallen jaren redelijk gemakkelijk toegankelijk, waardoor het gebruikt werd als weideland voor schapen en als mijn voor bouwmateriaal.
 
Aardewerk
Al het aardewerkmateriaal dat is gevonden tijdens de survey, dateert van de zeventiende eeuw of later. Het betreft haast vanzelfsprekend roodbakkend aardewerk met dompelglazuur, porselein en dergelijk laat aardewerk. Zeer waarschijnlijk gaat het om afval uit de woonhuizen van het dorp, dat op het kerkterrein terecht is gekomen.
 
Overige vondsten
Twee stukken vloertegel zijn ook in deze periode te plaatsen. De ene is grijs en de andere roodbakkend met een groene glazuurlaag. Of ze echt uit de kerk afkomstig zijn blijft de vraag, gezien de geschiedenis van afval storten op het terrein (zoals geldt voor meerdere vondsten van het terrein). Wellicht zijn ze afkomstig uit de negentiende eeuwse consistorie achter de kerk. Een stukje blank glas behoorde mogelijk in de laatste kerkramen, die verwijderd werden tijdens de sloop in 1898.
 
Fragmenten van de kerkhofmuur
In de huidige kerkhofmuur zijn nog een tweetal oudere bouwfasen te herkennen, namelijk in de zuidoostelijke hoek en bij de oostelijke ingang (afb. 12). Deze zijn schoongemaakt en aan de oppervlakte vrij gelegd om ze te documenteren. Het hoekstuk is opvallend omdat het niet te zien is op foto’s uit de twintigste eeuw, maar wel op de laat-negentiende eeuwse foto’s. Waarschijnlijk zijn beide stukken muurwerk, ook op basis van de gebruikte typen bakstenen, te dateren in de negentiende eeuw en wellicht te herleiden tot de werken aan de kerk in de jaren 1840.
 
Derde fase (1899-heden)
Uit de laatste fase, oftewel de huidige bouw, is ook materiaal gevonden. Dit betreft echter veelal afval dat op het terrein is gekomen tijdens activiteiten op het dorpsplein of aan werkzaamheden aan het gebouw. Zo vond de heer De Zeeuw er veel kleine plaatjes metaal, vermoedelijk gebruikt door de loodgieters op de daken van kerk en toren. Tevens vond hij een cent uit 1916.
 
Ruimtelijke verspreiding
De verspreidingskaart (afb. 13) laat duidelijke clusters van vondsten zien in het noordoostelijke en zuidoostelijke gedeelte van het terrein. Hier is ook voornamelijk het bouwmateriaal en het menselijk botmateriaal gevonden.

Het is aannemelijk dat de ruimtelijke verspreiding van het materiaal met name verband houdt met een ongelijke verstoringsgraad over het terrein, dat wil zeggen dat op de grootste vondstconcentraties het meeste is gegraven in verband met de tuinaanleg. Daarbij is archeologie aangeraakt en aan de oppervlakte verspreid. Dit duidt er tegelijk op dat de bovenste graven uit het kerkhof niet diep onder het oppervlak gesitueerd zijn. Het geeft iets aan van de kwetsbaarheid van de aanwezige archeologie op het terrein.
 
Conclusie
Het bouwmateriaal dat op het terrein werd gevonden suggereert een parochiekerk van baksteen met fundamenten en/of opgaand muurwerk van Doornikse kalksteen en kloostermoppen. De kerk was mogelijk gedekt met een combinatie van leien en daktegels.

Van de oude Hervormde kerk uit 1658 werd veel materiaal gevonden, variërend van baksteen, vloertegels, leien en glas tot zelfs het bijbehorende kerkhof. Het botmateriaal van dit kerkhof laat zien dat er over de periode 1654-1829 veel dorpelingen uit alle lagen en leeftijdsgroepen van de bevolking werden begraven. Het kerkhof kent zodoende ook de getuigen van een tijd waarin sterfte onder kinderen en mensen in de bloei van hun leven werkelijkheid was.

De survey en de vondsten tonen aan hoe kwetsbaar de archeologie van het terrein is en hoe zorgvuldig ermee omgesprongen moet worden. Het PKN-terrein is zeer waardevol voor Zaamslag en vormt een schatkamer aan informatie die zorgvuldig bewaard dient te worden.
 
Met dank aan
Werkgroep Archeologie Hulst, Liam Zachary, Gerrit de Zeeuw, kerkrentmeesters PKN Zaamslag en de Gemeente Terneuzen.
 
Literatuur
Baan, J. van der, 1859. Geschiedkundige beschouwing van Zaamslag. Terneuzen: Van Overbeeke.
Lensen, R.J.H. & Leeuw, B.I. de, 2014. Het Plein te Zaamslag: een geschiedenis in kerken. Zaamslag: Stichting Zaamslag 850 jaar.
Lensen, R.J.H. in prep. De vroegste geschiedenis van Zaamslag.
Platteeuw, J.L., 1968. Zaamslag door de eeuwen heen. Terneuzen: Van Aken.

R.J.H. Lensen BA