home >>> artikelen >>> overzicht archief artikelen >>> archief artikelen ii
  I - II - III - IV - V - VI - VII - VIII - IX - X - XI - XII - XIII
Een woensdg in 1302 (2002) XIV - XV - XVI - XVII - XVIII - XIX - XX - XXI - XXII
 
Een woensdag in 1302  
   

Het Brugse Oost-Vrije en de Guldensporenslag

11 juli 1302 is één van de beroemdste data van de Vlaamse geschiedenis. Het is de dag waarop de Guldensporenslag gestreden werd. De datum is zelfs zo beroemd dat de Vlamingen er hun nationale feestdag van gemaakt hebben.
Dit jaar is het 700 jaar gelden dat de slag bij Kortrijk plaatsvond. Je zou dus zeggen: dé aanleiding voor grootschalige herdenkingen en festiviteiten. Gek genoeg is dat slechts beperkt het geval.
In Aardenburg wordt wèl op feestelijke wijze aandacht aan 11 juli 1302 besteed. Er wordt het historiespel De sporen verdiend geschreven en twee keer uitgevoerd (28 juni en 6 juli). Er worden tijdschriftartikelen geschreven en een boekje uitgegeven. In het Gemeentelijk Archeologisch Museum is tot en met september de tentoonstelling Een woensdag in 1302 samengesteld, met materiaal van, behalve de Archeologische Stichting Zuid-West-Vlaanderen te Kortrijk, tal van musea, archieven en bibliotheken uit heel Vlaanderen en ook Zeeland.
Aardenburg heeft deze zomer dus iets met de Guldensporenslag. Net als 700 jaar geleden overigens. Maar (opnieuw gek genoeg): dat laatste is nauwelijks bekend. Het doel van de tentoonstelling is daar wat verandering in te brengen. Niet alleen de rol die Aardenburg heeft gespeeld overigens, maar van geheel het gebied ten noorden van Brugge (het zogenaamde Oost-Vrije). Die rol in de oorlog en de slag is aanzienlijk geweest.

Voor de oorlog (tot 1297)

De Guldensporenslag was het keerpunt in de Frans-Vlaamse oorlog. Die oorlog begon in 1297 en eindigde in 1305. Het graafschap Vlaanderen behoorde toen tot het Franse koninkrijk.
De twee hoofdrolspelers in de oorlog waren in meerdere opzichten elkaars tegenpolen. In Vlaanderen regeerde in 1297 Gwijde van Dampierre, een oude man van 72 jaar met oude bestuursopvattingen en al een halve eeuw aan het bewind. In Frankrijk heerste Philips IV, bijgenaamd de Schone, die als 17-jarige pas in 1285 koning van Frankrijk geworden – hij was dus een hele generatie jonger. Volgens de jonge koning en zijn medewerkers moest Frankrijk geregeerd worden als een moderne, centrale staat met afzetbare ambtenaren in plaats van leden van machtige families en via afhankelijke provincies in plaats van min of meer onafhankelijke Franse vorstendommen. Door een uitgekiende huwelijkspolitiek, diplomatie en op zijn tijd militair geweld was het aantal vorstendommen en hun zelfstandigheid voor 1297 al flink beperkt. Het veelvuldig gebruik van subsidies, of zo men wil, omkooppraktijken, had geleid tot een verdere vergroting van Philips’ macht - maar ook tot een chronisch geldgebrek. Tegen 1297 vond Philips het tijd om zijn macht in Vlaanderen flink te versterken. Het graafschap was immers een aantrekkelijke buit: een vruchtbaar gebied, strategisch gelegen met een grote bevolking, veel steden en een moderne economie. Het enige wat de Franse koning nodig had was een goede aanleiding.
Philips had al voor 1297 op verschillende manieren geprobeerd de macht van Gwijde te verminderen: door steun aan diens binnenlandse en buitenlandse tegenstanders, door steekpenningen, het verhinderen van huwelijken, vernederingen enzovoorts. Uiteindelijk werd Gwijde het beu en in januari van het nieuwe jaar zegde hij zijn eed van trouw aan zijn vorst op - een voor die tijd ongehoorde daad. Maar voor Philips de ideale aanleiding om toe te slaan.

Oorlog (1297)

Gwijde had zijn dramatische stap, dacht hij, goed voorbereid. Hij had steun van zijn kleinzoon Jan, graaf van Holland en Zeeland, van de Engelse koning Eduard I en van de Duitse keizer Adolf van Nassau. Maar de eerste had vanwege zijn jeugd en broze gezondheid nauwelijks enige autoriteit, de Engelse koning kwam te laat en met te weinig steun en de Duitse ridders waren verre de mindere van hun Franse collega’s. De Vlaamse zuidoostgrens had Gwijde ook niet gedekt. In het naburige Henegouwen was Jan II graaf. Zijn houding werd bepaald door een jarenlange, genadeloze vete tussen de twee machtigste families in het westen van de Lage Landen, de Avesnes en de Dampierres. Als lid van de Avesnesdynastie was hij een verklaard tegenstander van Gwijde en zijn familie.
Op 15 juni overschreed het Franse leger de Vlaamse zuidgrens. Binnen twee maanden had het ongeveer de helft van Vlaanderen in bezit en ook nog het grafelijke ridderleger op het Bulskampveld (bij Veurne) verslagen. Pas in augustus landde Eduard met een expeditieleger. Hij ontscheepte zijn troepen in Sluis, marcheerde naar Aardenburg en trok van daaruit naar Brugge. In Brugge bleek weinig animo om tegen de schijnbaar oppermachtige Fransen te vechten en Eduard verplaatste zijn leger daarom maar naar Gent. Daar gebood hij zijn manschappen mee te helpen bij de verdediging van de grootste stad van Vlaanderen.
Op 18 september sloten de Bruggelingen een verdrag met de Fransen en nog geen week later trokken zij zelfs gezamenlijk op om Damme te veroveren om de zeehandel over het Zwin zeker te stellen en de aanvoerroute van de Engelsen af te snijden. Aan de begin van het winterseizoen vond Philips het voorlopig genoeg. Zijn leger had bijna de helft van graafschap in bezit en het Engels-Vlaamse bondgenootschap zag er alles behalve stabiel uit. Een Engels-Vlaamse opmars naar Brugge was bijvoorbeeld verhinderd door onderlinge gewelddadigheden. Gwijde had nog enkele grote steden in het zuidwesten (Ieper, Kassel), oosten (Gent, Deinze) en een uitweg naar zee in het noorden via Damme (de graafsgezinden hadden het weer heroverd) en Aardenburg. In oktober kwam er een einde aan de gevechten toen Philips, Eduard en Gwijde een bestand overeenkwamen.

Bestand (1297-1299)

Het bestand zou uiteindelijk duren tot de eerste week van januari 1300. In de tussenliggende tweeeneenhalf jaar versterkte Philips met behulp van zijn Vlaamse medestanders zijn greep op het bezette Vlaanderen. Deze koningsgezinde leliaarts (genoemd naar de lelie in het Franse koninklijke wapen) werden door hem ondersteund met geld en functies. Enkele leliaarts uit het gebied ten noorden van Brugge kennen we bij naam, onder andere heer Jan van Sijssele en Jan van Cadzand (geen ridder, maar een edelknaap - iets lager dus in status).
Philips deed nog meer. Hij zocht contact met Eduard I en sloot in juni 1299 met hem een verdrag. Overigens had Eduard zich in onbezet Vlaanderen al ruim daarvoor impopulair gemaakt. Niet lang na het sluiten van de wapenstilstand beraamden Engelse troepen een complot om Gent te plunderen. Het werd echter voortijdig ontdekt, er vonden gevechten plaats en er zat voor Eduard niet anders op - voor zover hij dit eerder zelf al niet van plan was geweest - om te vertrekken. Begin februari 1298 arriveerde hij in Aardenburg, waar hij mogelijk, net als veertien maanden eerder (november 1296), een bezoek bracht aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk en het beroemde beeld aldaar van Onze-Lieve-Vrouwe van Aardenburg. Politiek en religiositeit gingen bij dit bezoek hand in hand. Vandaar vertrok Eduard met zijn leger naar Sluis. Trouw was overigens voor hem een relatief begrip. En met zijn aftocht op 21 maart 1298 naar Engeland liet hij Gwijde gladweg in de steek.
Voor Gwijde zal het enigszins een troost geweest zijn dat op de weg van Aardenburg naar Sluis het Schotste regiment deserteerde - nu kende ook Eduard het gevoel in de steek gelaten te zijn. Lang zal de koning daar niet over ingezeten hebben. Want conform het verdrag met Philips kreeg hij het graafschap Pointhieu aan de monding van de Somme.
Ook met de Duitse keizer knoopte Philips relaties aan. Dat was onder meer van belang voor de positie van de belangrijkste bevoorradingshaven Biervliet, dat niet tot het Franse koninkrijk maar tot het Duitse keizerrijk behoorde.

Gwijde en zijn medestanders (liebaarts genaamd, naar de leeuw in het Vlaamse wapen) hadden nauwelijks een antwoord op Filips’ diplomatieke manoeuvres. De situatie werd zelfs nog erger, toen in april 1298 zijn kleinzoon, Jan van Holland en Zeeland, overleed. Hij werd opgevolgd door Jan van Avesnes, de graaf van Henegouwen en, zoals we gezien hebben, een ware Dampierrehater.
Op buitenlandse steun behoefde Gwijde dus niet meer te rekenen, integendeel. Ook de steun van de adel brokkelde af - zich aansluiten bij de leliaarts was immers veel profijtelijker. Zo’n beetje het enige kapitaal dat de graaf nog in handen had, de steden, diende dus in ieder geval behouden te blijven. Dat kon alleen maar door het geven van economische voordelen. Twee documenten in het Aardenburgse stadsarchief getuigen daarvan. Ze dateren beide uit 1299. De ene geeft toestemming tot het houden van een jaarmarkt, de andere staat Aardenburg het recht van geldwisselen toe. In hetzelfde jaar of reeds een jaar eerder) gaf Gwijde bovendien opdracht om Aardenburg en Damme te versterken. Restanten van deze omwalling zijn in beide steden nog goed zichtbaar.
Hoe ver de aanleg van de versterkingen gevorderd waren toen het bestand in de eerste week van januari 1300 afliep is niet bekend. Zeker is wel dat de toekomst er voor het graafschap somber uitzag: geen buitenlandse steun, de Franse koning en de leliaarts in een sterkere positie dan ooit.

Opnieuw oorlog (1300)

Ieder weldenkend mens besefte dat het slechts een kwestie van tijd was eer geheel Vlaanderen bezet zou zijn. Philips belastte zijn broer Charles de Valois met de voorbereiding en de voortzetting van de oorlog en daarna de definitieve uitschakeling van het verzet.
Eind april achtte deze de tijd daartoe rijp en gaf opdracht tot het Franse voorjaarsoffensief. Binnen een week vielen alle stadjes aan het Zwin, Sluis, Hoeke, Monnikereede, Oostburg, IJzendijke en een paar dagen later, op 29 of 30 april Damme en op 1 mei Aardenburg. Nog dezelfde dag, 1 mei 1300, liet Charles de Valois zijn intocht in Aardenburg schriftelijk vastleggen. In hetzelfde charter (na 702 jaar nog steeds aanwezig in het stadsarchief) deelt hij mee Aardenburg onder zijn bescherming te nemen.
Het enige wat de liebaarts nu konden doen was in onderhandeling te treden met Charles. Van hem kregen zij te horen dat het het beste was, dat Gwijde zich naar de koning in Parijs begaf in de hoop op een goedwillende ontvangst.
Terwijl de Franse troepen de rerst van Vlaanderen onderwierpen, verliet de oude graaf samen met circa 50-100 edelen, zijn toevluchtsoord, het slot in Rupelmonde. In het uiterste noord-oosten van het graafschap. Hij reisde vandaar, misschien via Aardenburg, naar Parijs. De ontvangst op 24 mei 1300 door de koning was koel, zijn reactie meedogenloos. De bezittingen van de graafsgezinden werden verbeurd verklaard en verdeeld over aanhangers van de koning. De edelen werden apart in verschillende kastelen verspreid over heel Frankrijk gevangen gezet - vaak onder miserabele omstandigheden. In de maanden daarna werden meerdere liebaarts in Vlaanderen opgepakt - ook zij werden in Franse kasteelkerkers opgesloten. Daaronder ook de heren Boudewijn en Jan van Heille en Jan de Juede van Oostburg.

Vrede (1300-1302)

Een paar weken strijd was voor de Fransen voldoende geweest om de rest van Vlaanderen te onderwerpen. Philips IV kon tevreden zijn: het graafschap was niet meer. Hij stelde Jacques de Chatillon over het nieuwe departement aan, niet zo’n beste keus, want Chatillon stond niet bekend om zijn tact. Hij had vanuit zijn adellijke klassebewustzijn bovendien weinig op met Vlaanderen, waar de aristocratie steeds meer macht verloor aan de burgerij. En die minachting was nog gegroeid toen de Vlamingen zijn zoon doodden tijdens de slag op het Bulskampveld (1297). Niet bepaald iemand die evenwichtig kon laveren tussen de verschillende groeperingen in de Vlaamse samenleving en kon zorgen voor een oplossing van de vele latente en zichtbare maatschappelijke problemen. Wat vooral stak was dat de gouverneur voorbij ging aan de moeizaam verkregen voorrechten en weinig oog had voor de financiële en economische malaise die de oorlog Vlaanderen gebracht had. Schulden werden vroeger al verhaald op de armsten, de volksklasse, maar de last kwam nu ook op de schouders van groepen die altijd redelijk welvarend geweest waren. Bovendien werden accijnzen verhoogd, privileges geschonden en de vrije handel belemmerd. Dit alles en het feit dat de toch al rijke koningsgezinde adelpartij consequent bevoordeeld werd, zou op den duur een explosieve situatie creeëren.
De taak van de nieuwe gouverneur was Vlaanderen te integreren in het Franse koninkrijk. Chatillon was in de eerste plaats een soldaat en zijn opvatting was dat maatschappelijke problemen militair konden worden opgelost. Daarom liet hij op drie strategische plaatsen in Vlaanderen een dwangburcht bouwen: in Rijsel, Kortrijk en Brugge. Vandaaruit kon hij Vlaanderen besturen en opstanden neerslaan.
Ogenschijnlijk leken de Vlamingen zich bij de situatie te hebben neergelegd. Maar onderhuids giste het, vooral in de steden. En in de steden vooral bij de ambachtslui, die zich hadden verenigd in gilden. Hun grootste frustratie was hun jarenlange rechtsachterstelling, hun grootste tegenstanders het stadspatriciaat en de adel. Omdat dezen in meerderheid koningsgezind waren, kozen de ambachten de kant van de graaf. Maar de graafsgezinde adel was grotendeels onschadelijk gemaakt of gevangen genomen. Als de ambachtsgilden dus tegen de Fransen in opstand wilden komen, dienden zij dat verzet zelf te organiseren. De adel zou daarom geen leidende, maar een ondersteunende rol spelen.

Opstand (mei-juli 1302)

Vreemd genoeg werd het centrum van de opstand Brugge, de stad die zich in 1297 snel had overgegeven en in 1300 allerlei hand- en spandiensten voor de Fransen verricht had. De aanleiding tot de opstand was op het eerste gezicht wat triviaal. Uit onvrede over het betalen van onkosten had een grote groep Bruggelingen in juli 1301 de koninklijke gevangenis, het steen, bestormd. In september 1301 legde de Rekenkamer te Rijssel Brugge daarvoor een zware boete op. Het beroep dat de stad bij het parlement in Parijs hiertegen aangetekend had was in februari 1302 niet ontvankelijk verklaard. Half maart keerden de Brugse vertegenwoordigers terug met het slechte nieuws. De in de ogen van velen onrechtvaardige afwijzing en het vooruitzicht zwaar te moeten betalen, gecombineerd met de slechte economische toestand en honger, leidden tot een weerspannige, anti-Franse sfeer.
Eind april, uiterlijk 1 mei kwam het tot een uitbarsting toen de kastelen van Male en Sijssele werden platgebrand. Het eerste was een symbool van de Franse onderdrukking (het Franse garnizoen werd er op gruwelijke wijze vermoord), het tweede van de leliaartse collaboratie (de heer van Sijssele was een van de rijkste prominentste Brugse magistraten en verklaard tegenstander van volkse invloed op het bestuur). Wie in de opstand vooropging is niet geheel zeker: Jan Breidel, een rijke handelaar (later van belang voor aankoop van levensmiddelen en logistieke steun), Willem van Gulik kleinzoon van graaf Gwijde) of Pieter de Coninc (achtergrond onduidelijk). De opstand groeide door een snelle bijstand uit het gebied ten noorden van Brugge, met name Aardenburg en Damme. Met hun militaire steun trok Pieter de Coninc op naar Gent om de opstand tot daar uit te breiden. Op 14 mei kwam de Franse tegenreactie, toen de Franse gouverneur vanuit de burcht te Kortrijk met een vooralsnog beperkte troepenmacht (c. 1100 man) naar Brugge. Hij omsingelde de stad en eiste zijn overgave. Twee dagen later, op 16 mei, kwam het tot een akkoord: In de stad zou een klein Frans garnizoen gelegerd worden en 5000 liebaarts mochten de stad verlaten. Terwijl Chatillon met zijn legertje Brugge binnentrok, vluchtten de Brugse liebaarts naar het noorden, naar de streek van Mude, Sluis, Damme, Aardenburg en Oostburg. Op dat moment was de opstand dus beperkt tot dat gebied.
Op 17 mei kwam het bij Damme tot een botsing tussen een Franse bevoorradingsgroep en liebaarts. De Fransen werden volledig uitgemoord. Chatillon was hierover bijzonder kwaad, versterkte zijn garnizoen met meer manschappen dan afgesproken was en besloot de verradelijke stad mores te leren. Boodschappers uit Brugge berichtten de gevluchte liebaarts van de aanstaande moordpartij. Zij keerden in de nacht van donderdag 17 op 18 mei heimelijk terug naar Brugge, daarbij vergezeld door verschillende inwoners uit Damme, Aardenburg en omringende plaatsen. In de vroege morgen van 18 mei werden de poorten gesloten en de Fransen afgeslacht. Slechts enkele Franse edelen, waaronder Chatillon en de kanselier van Frankrijk Pierre Flote, wisten ternauwernood te ontsnappen. Zij vluchtten naar het Zuid-Vlaanderen om vandaaruit een tegenoffensief te organiseren.
Het was iedereen duidelijk waar dit alles op uit zou lopen. Chatillon zou in de strategische basis Kortrijk een grote troepenmacht samenbrengen om gewelddadig met Brugge af te rekenen. Het lot van de opstandige Zwinstadjes zag er niet veel beter uit. Door deze dreiging veranderde het spontane van de opstand in die dagen en kreeg meer richting en structuur. Er kwam meer coördinatie, een duidelijk doel en er werd een machtig instrument gevormd om dat doel te bereiken. Met de coördinatie werden Gwijde van Namen, Jan van Namen en Willem van Gulik belast. Zij werden snel erkend als vertegenwoordigers van het grafelijk gezag, het eerst in Brugge, Damme en Aardenburg. Het doel van de opstand was de verdrijving van de Fransen en Vlaamse onafhankelijkheid onder een grafelijk bestuur dat rekening hield met de belangen van niet alleen de adel en de rijke kooplui, maar ook de gilden en het volk. Het middel om dat te bereiken, een daadkrachtig leger, was tenslotte gerecruteerd uit de twee laatstgenoemde bevolkingsgroepen. Een minstens zo belangrijke rol speelde daarom Pieter de Coninc, hun leider. Binnen korte tijd werd een coherent, geregeld leger opgebouwd, dat in de tweede helft van mei en de eerste weken van juni de Vlaamse kuststeek ontzette. Via stadsboden werd voortdurend voeling gehouden met de basis van de opstand: Brugge en het Brugse Vrije. Het noordwesten van Vlaanderen leverde in dit stadium ook de belangrijkste troepen.
Maar niet veel later breidde de opstand zich uit: snel, razendsnel zelfs. Alle steden in de kuststreek en later ook binnen-Vlaanderen sloten zich bij de opstand aan en werden door het Vlaamse leger ingenomen. De macht van de Franse koning werd gereduceerd tot de burchten in Kassel, Rijsel en Kortrijk. De laatstgenoemde stad en vooral de Franse dwangburcht daar was de strategische bestemming van het Vlaamse leger. Het was het knooppunt tussen de traditionele Franse invalsweg vanuit Atrecht en de wegen naar Ieper, Gent en Brugge. De val van Kortrijk zou voor de Franse koning een symbolische, politieke als militaire nederlaag van de eerste orde betekenen en voor het Vlaamse leger de weg vrijmaken voor de opmars naar Zuid-Vlaanderen.

De slag (11 juli 1302)

Op 23 juni kwam het Vlaamse leger in Kortrijk aan. De stad werd ingenomen en de burcht omsingeld. Op dat moment waren reeds vele Fransen naar Frankrijk vertrokken, als wel om deel te nemen aan de samenstelling van een leger. De opbouw hiervan geschiedde onder verantwoordelijkheid van een zeer ervaren opperbevelhebber, Robert d’Artois. Binnen een maand had hij in Lens (Artesië) een groot ontzettingsleger bij elkaar gebracht, dat zich op 30 juni in beweging zette en tien dagen later, op 8 juli, Kortrijk bereikte. In de afgelopen 14 dagen hadden de Vlamingen zonder succes de Franse burcht belegerd. Belangrijker dan dat was echter dat de legerleiding enkele belangrijke defensieve maatregelen genomen had: de afgrendeling van de stadspoorten, een grondige verkenning van de omgeving en de komst van versterkingen, niet alleen Vlaamse troepen, maar ook Vlaamsgezinde Zeeuwen. Toen de Fransen Kortrijk naderden had de Vlaamse legerleiding (Gwijde van Namen, Willem van Gulik en vooral Jan van Renesse) zich terdege voorbereid.
De twee legers waren erg verschillend. Het ruggengraat van het Franse leger werd gevormd door c. 2500-3000 ridders en edelknapen in zware uitrusting. De ridders en edelknapen kwamen uit alle belangrijke adellijke families, uit heel Frankrijk, maar ook uit Henegouwen, Brabant en zelfs Vlaanderen. Zij werden geassisteerd door c. 4000-5000 man voetvolk, waaronder kruisboogschutters. De tactiek van het ridderleger was het offensief, het forceren van een doorbraak in de vijandelijke linie door snelheid (met paarden) en kracht (door een zware bewapening). Hoe langer de aanloopruimte voor de paarden, des te groter hun snelheid en des te geweldiger de storm- en slagkracht van de ruiters.
Het Vlaamse leger was iets groter, tussen de 8000 en 11000 man (vroegere schrijvers reppen van 30.000, 40.000, zelfs 60.000 strijders - allemaal sterk overdreven). Slecht een gering deel daarvan waren adellijke beroepsmilitairen die te voet of te paard streden. De meesten waren voetvolk, bewapend met een goedendag. Dit was een lange houten staak, eindigend in een scherpe metalen punt. De Vlaamse strijdwijze was defensief. Door de goedendag schuin in de grond te plaatsen werd een massieve gepunte linie gecreeërd dat de oorlogspaarden doodde. Was de vijandelijke charge eenmaal stukgelopen, dan werd de goedendag uit de grond en de neergestorte ridders met de punt ter dood gebracht.
Op 8 juli kwam het Franse leger te Kortrijk aan en nog geen dag later bestormde het al de westelijke stadspoort. Dat mislukte. Ook een doorbraak op 10 juli via de zuidelijke poort had geen succes. Daarom verplaatste Artois zijn leger naar de oostzijde van de stad. Daar lag ook de dwangburcht. Hij verdeelde zijn manschappen in 10 gevechtstroepen (bataelges)- twee daarvan konden niet deelnemen aan het gevecht, omdat zij de west- en zuidpoort moesten bewaken om Vlaamse uitvallen te voorkomen.
De Vlamingen hadden positie ingenomen op een droog gebied achter twee beken van een paar meter breed, de Grote Beek en de Groeningebeek, en de veel bredere rivier de Leie. De rechterlinie bestond uit Bruggelingen onder Willem van Gulik, de linkerlinie uit Oost-Vlamingen onder Gwijde van Namen. In het centrum lagen manschappen van het Brugse Vrije en West-Vlaamingen. Hiertoe moeten ook troepen uit het Brugse Oost-Vrije, Aardenburg, Damme en andere kleine steden gelegen hebben. Daarachter lag een strategische reserve onder de opperbevelhebber Jan van Renesse. Een groep van c. 500 Ieperlingen bewaakte de uitgang van de Franse burcht. Zij moesten voorkomen dat de Fransen een uitbraak zouden wagen en de Vlamingen in de rug aanvallen.

De eerste Franse aanval

Artois begon het gevecht met vier bataelges tegenover de Vlaamse rechterlinie en het centrum, de in zijn ogen verradelijke Bruggelingen dus, Brugse Vrijlaten en West-Vlamingen. Eerst liet hij zijn kruisboogschutters aantreden die het aanloopterrein voor de Franse ridders achter de Grote Beek schoon moesten vegen van vijanden. De Vlamingen weken weliswaar, maar net niet ver genoeg. De aanloopruimte bleek voor de Fransen te kort en hun snelheid te gering. De aanval stokte, de paarden werden gedood en de ridders afgemaakt.
Vooral het centrum van Vrijlaten en West-Vlamingen had het moeilijk gehad, omdat de Fransen daar over een grotere aanloopruimte beschikten. Daardoor wisten de ridders diep in de linies door te dringen.

De tweede Franse aanval

Intussen hadden vier andere bataelges zich meer oostelijk op de oever van de Groeningebeek opgesteld. Daar ontwikkelde zich een gevecht op dezelfde wijze: een inleidend gevecht met kruisboogschutters, charge door Franse ridders en het standhouden van de Vlamingen. Opnieuw kreeg het centrum van Brugse Vrijlaten en West-Vlamingen het het hardst te verduren. Op een gegeven moment zag het er zelfs naar uit dat de Franse ridders toch een bres in de verdediging konden slaan. Dit werd echter voorkomen door de persoonlijke moed van verschillende van de Vlaamse onderbevelhebbers en de inzet van de reservetroepen van Renesse. Tot hen behoorde Bangelijn van Aardenburg, die de Brabantse historieschrijver Lodewijk van Velthem (1316) als volgt beschrijft:
Bangelijn vacht daer menichfout, Bangelijn vocht daar enorm
Een vroem ridder ende een stout Een dapper en moedig ridder
Hine fineerde, no hine [ver]onste Hij stopte niet, noch was hij zuinig
Van dien dat die wijch begonste -Vanaf dat het gevecht begon
Toten inde, van groten slagen, tot het einde - met [het uitdelen van] grote slagen
Hem allen wondert diet ansagen Hij verwonderde iedereen die hem zagen
Na de slag werd hij in juli en augustus onderhouden door de stad Brugge. Het is goed mogelijk dat zijn (vermoedelijk Aardenburgse) gevolg - 15 knapen en 15 ‘garsoenen’ (dienaars) - in de slag meestreed.

De charge van Artois en de Franse aftocht

Op het moment dat het er naar uitzag dat de Vlamingen toch het overwicht zouden behalen deden de Fransen uit de burcht van Kortrijk een uitval. Deze werd echter opgevangen door manschappen uit Ieper. Tenslotte nam de opperbevelhebber Robert d’Artois zelf met zijn korps een laatste poging om de oorlogskansen in zijn voordeel te doen omslaan. Hij chargeerde fel en werd daarin gevolgd door de achterhoede die nog niet in de strijd geworpen was. Maar ook de moedige, maar wanhopige aanval van Artois bleek niet in staat tot een doorbraak. Zijn charge werd door de Vlamingen opgevangen, zijn paard Morel gedood. In die seconden werd een andere Brugse Vrijlaat beroemd, Willem van Saaftingen. Anders dan zijn naam doet vermoeden, was hij een lekebroeder van het klooster ter Doest bij Lissewege (iets ten noorden van Brugge). Hij stootte Artois af van zijn paard Morel en sloeg hem op wrede wijze dood.

Onthutst brak er na de dood van Artois onder zijn medestrijders paniek uit. Van alle kanten zagen zij de Vlamingen op zich afkomen. Om aan omsingeling te komen weken de Fransen terug en stootten daarbij op de opdringende achterhoede. In de chaos die dit veroorzaakte werden de Franse ridders - tegen de conventies - systematisch uitgeroeid. De Vlamingen reorganiseerden hun linies met het oog op de verwachte aanval van de achterhoede, maar namen zelf het initiatief toen deze uitbleef. De Fransen vluchtten in wilde radeloosheid en niet veel later waren de Vlamingen meester van het slagveld. Behalve door de Vlaamse wapenen kwamen vele Fransen om toen zij in de chaos en paniek in de beken of onder de paarden van medestrijders terechtkwamen. Wat nog restte van het onoverwinnelijk geachte koninklijke leger werd door de Vlamingen over een afstand van meer dan 10 km. achtervolgd. Smadelijker kon de afloop van de slag niet geweest zijn.
Men vertelt dat op dezelfde dag de Vlaamse vloot die de haven van Sluis bewaakte een grote Franse bevoorradingsvloot ontwaarde. De nederlaag ontnam haar elke motivatie om verder te vechten en de Vlamingen hadden aan een kort gevecht voldoende om een rijke buit te bemachtigen. De dag was voor de Fransen dus toch nog smadelijker geworden.

Offensief in Vlaanderen (juli-november 1302)

Het onverwachte succes had enorme gevolgen en leidde tot een uitbarsting van Vlaamse energie. Vlaanderens grootste stad, Gent en Ieper en later Rijsel en Dowaai wilden niet achterblijven bij Brugge en besloten de opstand actief te ondersteunen. Een groot arsenaal aan militaire kracht, zowel materieel als in mankracht kwam zo beschikbaar. De Vlaamse troepen stonden weliswaar onder leiding van edelen als Jan van Renesse, Willem van Gulik en Gwijde en Jan van Namen, maar zij dienden zich te richten naar de beslissingen van de stadsbesturen. En deze besturen werden nu gedomineerd door vertegenwoordigers van de ambachten en het volk. Het strategisch doel werd naarmate de oorlog vorderde en de tegenstand onmachtig bleek opgeschroefd. Uiteindelijk diende geheel Vlaanderen zelfstandig te worden, los van enige politieke bemoeienis van Frankrijk.
De Vlamingen buitten het succes te Kortrijk effectief uit door een reeks snel opeenvolgende veldtochten. Op 6 augustus werd Rijsel ingenomen, op 12 augustus Dowaai en drie dagen later Kassel. Alle steden, burchten, strategische bruggen en grensforten werden daarna systematisch bezet. In beschrijvingen van deze acties komen we ook de nam Bangelijn tegen. Hij werd daarin ongetwijfeld bijgestaan door streekgenoten.
Het nieuwe leger en zijn leiders lieten hun aanwezigheid overal in Vlaanderen duidelijk merken, zowel om eventuele twijfelaars over de streep te trekken als om overleg te voeren over de te volgen strategie en logistieke en financiële ondersteuning. Op 29 juli bezocht Willem van Gulik in dat kader bijvoorbeeld Aardenburg en Damme. Dat zo’n bezoek effect had bleek onder meer uit geldschenkingen van eind juli aan het Brugse stadsbestuur door Aardenburgse kooplui en het stadsbestuur. Ook andere magistraten in het noorden van het Brugse Vrije ondersteunden de militaire opbouw. Andersom werd er overigens ook flink aan verdiend. Dit alles is heel goed te reconstrueren aan de hand van de Brugse rekeningen. Aardenburgers spelen daarin een opvallend prominente rol. Uit dezelfde documenten blijkt dat de goederen van de koningsgezinden zwaar belast en nog vaker geconfisceerd werden. Uit de opbrengsten werden de troepen betaald.

Intussen had Philips IV opdracht gegeven tot de vorming van een leger voor het tegenoffensief. De verbijstering over de nederlaag, de daadkracht, bewapening, tactiek en krijgsgebruiken van de Vlamingen was zeer groot en dit zou gedurende de oorlog nog eerder toe- dan afnemen.
Vooral de uitroeiing van de vijanden op het slagveld in plaats van gevangenname maande de Fransen tot voorzichtigheid. Zij wilden immers niet het gevaar lopen dat de kleine kern van de Franse ridderstand volledig zou worden geëlimineerd. Aangezien deze immers niet alleen militaire, maar ook politieke topfuncties bekleedde, kon een nieuwe nederlaag leidden tot een Frankrijk zonder ervaren bestuurders.
Eind augustus marcheerde het Franse leger noordwaarts. Een geregelde veldslag werd vermeden en de koning zette in op een tactiek van plundertochten om milities van boeren en handwerkers uit te putten. Het omgekeerde bleek het geval: reeds een maand later, eind september, moesten de Fransen rechtsomkeert maken wegens een gebrekkige bevoorrading.
Aan beide kanten van de grens (Artesië-Vlaanderen) werden daarna posities ingenomen en versterkingen aangelegd om plundertochten in de winter te voorkomen. Toch vonden er in het najaar en de strenge winter verschillende raids plaats, zowel door de Fransen in Zuid-West-en Zuid-Oost-Vlaanderen als door de Vlamingen in Noord-West en Noord-Oost-Artesië.
Ook langs de kust werden defensieve maatregelen getroffen. Vanaf juli lagen er bijvoorbeeld schepen in het Zwin om de Vlaamse Noord-Westkust te beveiligen.

Acties buiten Vlaanderen (1303)

In 1303 breidde het offensief van de Vlamingen zich uit tot buiten de eigen grenzen. In februari/maart richtten de acties zich tegen Henegouwen. Dit graafschap werd bestuurd door Jan II van Avesnes, de vijand van Gwijde van Dampierre en de Vlamingen en trouw bondgenoot van Filips IV. Een Henegouws regiment had bovendien meegevochten aan de kant van de Fransen in de slag bij Kortrijk (en had zich daar overigens weinig heldhaftig gedragen). De Vlaamse aanval richtte zich vooral op de belangrijke vesting Lessen, dat op 2 april werd veroverd en als afschrikking samen met 22 dorpen in lichterlaaie werd gezet.
Zoals reeds eerder beschreven was Jan van Avesnes niet alleen graaf van Henegouwen, maar ook van Holland en Zeeland. Zij zoon, Willem van Avesnes, ondernam uit wraak over de acties in het zuiden, een plundertocht vanuit Arnemuiden naar het eiland van Cadzand. Hij landde met zijn troepen bij Terhofstede, maar stuitte al snel op verzet. Na wat plunderingen scheepte hij zich dezelfde dag weer in en vertrok weer naar Walcheren.
Het Vlaamse antwoord kwam snel door het in gereedheid brengen van een invasievloot in het Zwin. De leiding van de expeditie berustte bij Jan en Gwijde van Namen, die namens de Dampierres de rechten over Zeeland opeisten. Zij kregen veel steun kwam van het Vlaamsgezinde deel van de Zeeuwse adel, dat door Willem van Avesnes was verbannen. Op 23 april verliet de vloot de haven van Sluis en werd koers gezet naar het Sloe, tussen Walcheren en Zuid-Beveland. Omdat de Vlamingen op beide eilanden konden landen, moest Willem van Avesnes zijn troepen verdelen en zijn posities verzwakken. Op 25 april ontscheepte Gwijde bij Veere 3000 Vlamingen en 800 Zeeuwen, terwijl Jan voorlopig te water bleef. Vanwege het gevaar van een tweede landing, moest Willem van Avesnes zijn Walcherse troepen opnieuw verdelen: een moest bij Arnemuiden een landing van Jan van Namen verhinderen, een ander diende Middelburg te verdedigen en een derde trok op naar Veere, Gwijde tegemoet. Het invasieleger van Gwijde wist - toegejuicht door de bevolking - al snel de Zeeuwse troepen van Willem te verslaan. Deze vluchtte met zijn resterende soldaten naar Middelburg, maar moest zich na een belegering van negen dagen reeds op 9 mei overgeven. Hij mocht met zijn aanhangers uit Middelburg vertrekken, waarna de Vlamingen in rap tempo geheel Walcheren en de overige Zeeuwse eilanden veroverden. Alleen Zierikzee verzette zich en sloot de poorten voor de nieuwe machthebbers. Bij een in begin juli gesloten verdrag legde Jan II zich bij de situatie neer en werd Zeeland (met uitzondering van Zierikzee) aan Gwijde van Namen afgestaan.
Nauwelijks was de actie aan hun noordgrens met goed gevolg voltooid of de Vlamingen begonnen een offensief in het zuiden. Zoiets zegt veel over zowel hun daad- en slagkracht als het voortdurend toenemende zelfvertrouwen. Bij Kassel werd een leger verzameld dat de grens overtrok en Sint-Omaars aanviel. Precies een jaar na de nederlaag was de reputatie van de Vlamingen zo gegroeid dat de Franse garnizoenscommandant liever roemloos vluchtte dan een gevecht aan te gaan. Het Vlaamse leger had daarna in Noord-Frankrijk vrij spel. Het plunderde, alvorens rustig naar het eigen gebied terug te keren, de streek rond Sint-Omaars en Terwaan en viel in augustus ook nog het land van Doornik binnen. Binnen een paar maanden waren zowel de Vlaamse noord- als zuid- en zuidwestgrens stevig beveiligd. In augustus begon Philips aan de vorming van een nieuw Frans leger, maar een muiterij vanwege achterstallige soldij voorkwam de effectuering hiervan - tot zeer groot ongenoegen van zijn onderdanen in Frankrijk. In september kwam hij van arren moede met de Vlamingen een wapenstilstand overeen tot mei 1304, later verlengd tot juni 1304. 1303 was voor de laatsten een zeer goed jaar geweest.

Hoogtepunt (voorjaar 1304)

De militaire situatie zou in de eerste helft van 1304 zelfs nog beter worden. Maar na anderhalf jaar begon de Franse koning weer actief en effectief op te treden. Het bestand gaf hem de gelegenheid tot de samenstelling van een nieuw, krachtig leger en een goed ondersteunend logistiek apparaat. Zijn talent voor diplomatie leidden tot politieke steun van de paus, militaire steun van Engeland en Brabant en herbezetting van de grensforten in Henegouwen (na een Vlaamse plundertocht in februari en maart). Ondanks alle successen stond Vlaanderen er dus alleen voor.
Intussen zat men in Vlaanderen niet stil. Rust aan de zuidgrens stelde de Vlamingen in de gelegenheid hun successen van het vorig jaar in het noorden verder uit te bouwen. De gelegenheid daartoe werd hun geboden door Willem van Avesnes, die samen met zijn oom, de Utrechtse bisschop Gwijde van Avesnes Schouwen binnenvielen. Op 18 maart voer een relatief kleine Vlaamse vloot onder leiding van Gwijde van Namen en Jan van Renesse het Zwin uit en verraste de Hollanders twee dagen later volkomen. Het vervolg van deze overrompeling was weinig minder dan een slachtpartij. De verbaasde Jan van Avesnes werd gevangen genomen en slechts een klein achtergebleven legertje met Willem van Avesnes ontkwam op het nippertje naar Zierikzee. Zonder tegenstand van betekenis overvielen de Vlamingen met hun Zeeuwse bondgenoten in een paar weken tijds geheel Holland en Utrecht. Alleen Dordrecht en Haarlem hielden hun poorten gesloten. Het succes was echter van korte duur en het geringe aantal Vlaamse militieleden was niet in staat om twee gewesten in bezetting te houden. Na een anti-Vlaamse opstand eind april, begin mei vluchtten zij dan ook naar Zeeland, om zich te concentreren op de inname van het belegerde Zierikzee. Hoe belangrijk dit voor hen was blijkt uit de versterkingen die vanuit Sluis uitgezonden werden: op 11 mei en 20 juni in totaal 82 schepen met tussen de 1830 en 2580 troepen. Hiertoe behoorden ook schepen uit onder andere Mude, Monnikenreede, Damme, Aardenburg en Biervliet.
Te Zierikzee werden door de Vlamingen allerlei pogingen gedaan om de stad in te nemen: stadsgrachten werden gevuld, dammen aangelegd, de haven geblokkeerd, meegebrachte belegeringstorens en blijden ingezet, de stad verschillende keren bestormd. Desondanks bleek de tegenstand van Zierikzee te sterk.

Omslag (augustus 1304)

Ondertussen verliep eind juni het Vlaams-Franse bestand. Philips IV had het bestand goed gebruikt. Hij had een machtig landleger gevormd, dat begin augustus de zuidgrens overstak en via een omweg Doornik bereikte. Een paar weken daarvoor had hij zijn vloot van 49 schepen bevel gegeven op te varen naar het noorden. Versterkt met Hollandse vaartuigen kwam de Hollands-Franse vloot onder leiding van admiraal Grimaldi op 9 augustus bij Zierikzee aan. De tweedaagse zeeslag op de Gouwe mondde uit in de bijna volkomen vernietiging van de Vlaamse vloot. Het leger vluchtte de duinen van Schouwen in, van waaruit een deel per schip terug naar Vlaanderen kon worden getransporteerd. Vele anderen – de Hollandse historieschrijver Melis Stoke spreekt van 5000 man - werd gedood of gevangen genomen en naar Zierikzee vervoerd:

Ghelike dat men drivet vee Zoals men vee opdrijft.

De mislukte expeditie betekende niets minder dan een catastrofe met een groot verlies aan mensenlevens, middelen en geld. Hoe groot het aantal gesneuvelde was, is alleen bij benadering geweten. Slechts van tien schepen uit het Damme, Monnikenreede, Hoeke en Mude hebben we de verliescijfers. Tenministe twee daarvan waren koggen met een bemanning van 40-55 koppen. Twee schepen verloren samen 340 vaten wijn, gezamenlijk verlies: 600 pond. Vermenigvuldigt men deze aantallen met een totaalverlies van 23 grotere en 56 kleinere schepen, dan wordt duidelijk wat een catastrofe de nederlaag bij Zierikzee betekende. Gwijde van Namen kon dan ook niet anders doen dan zich overgeven. Snel werd hij overgebracht naar Parijs en daar gevangen gezet. In dezelfde dagen verloren de Vlamingen nog één van hun belangrijkste aanvoerders, toen Jan van Renesse door verdrinking het leven verloor.
En het zou nog erger worden. Vanuit Doornik rukte de Franse koning met zijn leger op om het beleg om Rijsel te slaan. Na verschillende tactische manoeuvres werd zijn weg naar Rijsel geblokkeerd door een fors Vlaams leger. Op 18 augustus kwam het bij Pevelenberg tot een treffen met een onduidelijke afloop. De Fransen leken eerst de overhand te hebben, konden de Vlamingen insluiten en hun kamp plunderen. De Vlamingen hielden echter stand, deden verschillende krachtige uitvallen en wisten zelfs onder leiding van Willem van Gulik door te stoten naar het kamp van de koning. Met een uiterste krachtsinspanning wisten de Fransen hen langzaam terug te dringen, waarbij Gulik sneuvelde. Omdat de nacht was aangebroken en verder vechten niet mogelijk was, trokken de Vlamingen rustig van het slagveld. De Fransen beschouwden zich hierdoor als de overwinnaars. Het Vlaamse leger had weliswaar, evenals de Fransen verliezen geleden, maar was ongebroken. Zij marcheerden terug naar Rijsel, maar konden niet voorkomen dat de stad zich op 25 september overgaf aan de koning. Een dag later viel ook Dowaai in handen van de Fransen. Maar tot verwondering, zoniet verbijstering van de koning wisten de Vlamingen binnen korte tijd weer een geheel nieuwe krijgsmacht met nieuwe bewapening te formeren. Dit trok in september reeds op naar het zuiden voor een nieuw treffen met de koning en zijn 40.000 manschappen. Het leek alsof de strijd weer van voren af aan kon beginnen.

Het einde van de oorlog (1305)

Omdat al snel het initiatief werd genomen tot onderhandelingen, is het zover niet gekomen. In de abdij van Marquette kwam het tot een voorlopig verdrag dat verschillende keren werd verlengd. Driekwart jaar werden tussen vertegenwoordigers van de Franse koning, de Vlaamse graaf en de steden gesprekken gevoerd om de tijdelijk akkoord om te zetten in een duurzame vrede. Graaf Gwijde van Dampierre, door wiens eedopzegging de oorlog acht jaar daarvoor begonnen was, zou het sluiten van een definitief vredesverdrag niet meer beleven. Hij stierf op 7 maart 1305 in gevangenschap in het kasteel van Compiègne. Zijn plaats werd ingekomen door zijn zoon Robert van Béthune, die voornamelijk oog had voor zijn eigen dynastieke belangen - de belangen van de Vlaamse steden, ambachten en het volk nam hij verder maar voor lief. Als graaf van Vlaanderen sloot hij in juni 1305 het verdrag van Athis-sur-Orge.
Het verdrag had twee gezichten. Aan de ene kant werd de graaf in zijn macht hersteld en de vrijheid en zelfstandigheid van Vlaanderen gewaarborgd. Maar daar stonden onder andere tegenover de tijdelijke overdracht aan Frankrijk van de steden en streken rond Rijsel, Dowaai en Béthune; de verplichte leverantie van Vlaamse troepen (op eigen kosten) aan het Franse leger; 3000 strafbedevaarten van Brugge (waarvan 1000 overzee) als straf voor de opstand van 17-18 mei 1302; de ontmanteling van de stadsversterkingen van de vijf grootste steden (Gent, Brugge, Ieper, Rijsel en Dowaai); vrije terugkeer, financiële vergoeding en opheffing van de verbeurdverklaringen van leliaarts en tot slot herstelbetalingen aan Frankrijk van maar liefst 420.000 pond. Door deze bepalingen wist de Franse koning zijn nederlaag in de Guldensporenslag en zijn militaire onmacht in de twee jaar daarna om te buigen in een territoriale, politieke en financiële overwinning. In wezen was het echter een Pyrrhusoverwinning want het verdrag was in de verhouding met Vlaanderen een voortdurende bron van onvrede. Ook in Vlaanderen zelf zorgde het voor aanhoudende spanningen. Niemand was er immers tevreden over, velen spraken van het verdrag van de ongerechtigheid. Het afstaan van Rijsel, Dowaai en Béthune werd ervaren als verkwanseling van Vlaams grondgebied. De zaak van de verdedigingswerken en de terugkeer van en vergoedingen aan de leliaarts leidden eveneens tot continue twisten. Vooral de exorbitante boeten waren echter aanleiding tot rebellie. Zij werden immers afgewenteld op de steden, de ambachten en het volk. En de inning van een speciale belasting die de betalingen aan Frankrijk diende te regelen, het zogenaamde Transport van Vlaanderen, stuitte eveneens op permanente weerstand. De onlustgevoelens over het verdrag werden nog verergerd door een in de afgelopen jaren grotelijks gestegen Vlaamse zelfvertrouwen, ‘nationaal’ bewustzijn en betrokkenheid bij het gewestelijk bestuur. Dit alles leidde tot een groot onderling wantrouwen tussen de verschillende maatschappelijke groeperingen. Vlaanderen zou door dit alles uitgroeien tot een van de meest opstandige gebieden in Europa.

Besluit

Toch was het niet alles negatief. De organisatie en macht van de gilden in de steden werden erkend, de politieke en economische monopolies van de rijke stedelijke handelsfamilies definitief doorbroken en de positie van de steden in het gewestelijk bestuur versterkt. Bovendien herstelde de Vlaamse economie zich na de oorlog snel. Sluis schijnt gedurende de oorlog zelfs zo spectaculair te zijn gegroeid, dat het in 1305 reeds een iets grotere omzet haalde dan Aardenburg en het dubbele van Damme. Bovendien was de onafhankelijkheid van Vlaanderen behouden – zij het met een instabiele, opstandige inslag. Tot slot had de oorlog en vooral de overdracht van Franstalig Vlaanderen aan Frankrijk nog een ander gevolg, namelijk de ééntaligheid. Deze drie gevolgen van de oorlog - onafhankelijkheid, opstandigheid en ééntaligheid - verklaart enigszins waarom hét centrale moment, de Guldensporenslag, in later eeuwen door de Vlamingen zo populair geworden is in hun culturele emancipatiestrijd. Dat de 700-jarige herdenking, in tegenstelling tot 100 en 50 jaar geleden, heel wat minder uitbundig gevierd wordt, is symbolisch voor de succesvolle voltooiing van die strijd.

Arco Willeboordse

Literatuur en bronnen

• W. Blockmans, Vlaanderen. Geschiedenis. Prehistorie, oudheid, middeleeuwen, Deurne/Ommen, 1983, pp. 80-112
• Bruin, M.P., Uil, H., De strijd om Zeeland in de lage landen aan de Noordzee van de 11de tot de 14de eeuw, Zeeuws Tijdschrift, 36, 1986, pp. 24-32
• Chastelain, J.-D., Bloei en verval van de Zwinstreek, Brussel, 1957
• Colens, J., 1302. Le compte communal de la ville de Bruges, Bruges, 1886
• Despriet, Ph., Kortrijk 1302. Keerpunt in de Frans-Vlaamse oorlog 1297-1305, Kortrijk, 2002
• Funck-Brentano, Phlippe le Bel en Flandre, Paris, 1897
• Funck-Brentano, F. (ed., intr.), Chronique Artésienne, Annales Gandenses, Paris, 1899, 1896
• Gilliodts van Severen, L., Inventaire des archives de Bruges, I, Bruges, 1878
• Melker, B. de, De ontwikkeling van de stad Aardenburg en haar bestuurlijke instellingen in de Middeleeuwen, Middelburg, 1988
• Pirenne, H., Geschiedenis van België, I, Antwerpen, Gent, 1912
• St.-Genois, J. de, Inventaire analytique des chartes des comptes de Flandre, Gand, 1843-1846
• Utrecht Dresselhuis, J. Ab, Het distrikt Sluis in Vlaanderen, Middelburg, 1819
• Velthem, L. van, De Guldensporenslag. Een fragment uit de Voortzetting van de Spiegel Historiael (uitg. en inl. W. Waterschoot), Den Haag, Noorduijn, 1979
• Verbruggen, J.F., De slag der gulden sporen Antwerpen, Amsterdam, 1952
• Verbruggen, J.F., Het leger en de vloot van de graven van Vlaanderen vanaf het ontstaan tot in 1305, Brussel, 1960
• Verbruggen, J.F., De Vlaamse vloot, Standen en landen, IV, 1952, pp. 51-76
• Vorsterman van Oyen, G.A., Het archief van Aardenburg, Middelburg, 1889

Archief Stad Aardenburg, Gemeentearchief Sluis-Aardenburg

Dankwoord en opmerking over publicatie

Dank aan de Archeologisch Stichting Zuid-West-Vlaanderen, met name de heer Ph. Despriet en dr. R. Ooghe te Kortrijk, en de heer H. Uil van het gemeentearchief Schouwen-Duiveland te Zierikzee voor het voor onderzoek bereidwillig afstaan van verschillende van bovengenoemde werken.

Een uitgebreidere versie van deze bijdrage wordt gepubliceerd in het Mededelingenblad van de Heemkundige Kring West-Zeeuws-Vlaanderen, 2002/2.

Tentoonstelling

De tentoonstelling Een woensdag in 1302. Het Brugse Oost-Vrije en de Guldensporenslag is vanaf 7 juli 2002 tot en met 30 september te bezichtigen in het Gemeentelijk Archeologisch Museum te Aardenburg.
Behalve aan de slag zelf wordt middels foto’s, afbeeldingen, kaarten, archeologica en archiefdocumenten ook aandacht besteed aan de Frans-Vlaamse Oorlog van 1297-1305.
Openingstijden:
juli-augustus dagelijks: 10.00-12.00/13.30-17.00 uur
september dagelijks, behalve maandag: 13.30-17.00 uur
Adres en telefoonnummers: Marktstraat 18 NL - 4527 ZG, tel. 0117-492888/475544