home >>> artikelen >>> overzicht archief artikelen >>> archief artikelen vii
  I - II - III - IV - V - VI - VII - VIII - IX - X - XI - XII - XIII
Noord-Beveland: Tweeduizend jaar dynamiek van land en water (2005) XIV - XV - XVI - XVII - XVIII - XIX - XX - XXI - XXII
Wat in het vat zit, is al verzuurd (2005)  
Archeologisch onderzoek in Vlissingen (2005)  
   
 

Noord-Beveland: Tweeduizend jaar dynamiek van land en water

 
   
St.-Felixtoer  

Zaterdag 5 november 2005 was het 475 jaar geleden dat de Sint-Felixvloed de landkaart van Zeeland behoorlijk wijzigde. In deze fatale vloed verdronken vele dorpen in Zuidwest-Nederland. 5 November 1530 staat sindsdien bekend als ‘Sint-Felix quade saterdach’. Ter herdenking organiseerde de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ) op 5 november 2005 een Sint-Felixtoer door Zeeland. Deze voerde langs drie tentoonstellingen, behelsde een bezoek aan de site van het verdronken dorp Oud-Rilland en twee theatervoorstellingen over de St.-Felixvloed door theater KWARK op de locaties Oud-Rilland (zeedijk) en het Watersnoodmuseum in Ouwerkerk. Onderstaande tekst is door de auteur tijdens de toer uitgesproken in het Historisch Museum voor de Bevelanden te Goes. (1)

De Ramp van 1953 ligt de wat oudere Zeeuwen nog heel vers in het geheugen. Zelf ben ik in het rampjaar geboren in Zaamslag, een dorp in Oost Zeeuws-Vlaanderen dat toen gespaard bleef. Veel slachtoffers van 1953 worden nog betreurd door de nabestaanden; dat kreeg vreemd genoeg een opleving bij de herdenkingen in 2003. De eerste jaren na de Ramp stopten velen hun verdriet en hun gruwelijke herinneringen weg. Er moest gewerkt worden, de zaak moest weer worden opgebouwd. Treuren kwam later wel.

Hoe afschuwelijk ’53 ook is geweest, de ramp van 5 november 1530, de St.-Felixvloed, was nog erger, als het überhaupt gepast is om rampen en de wonden die ze slaan te vergelijken.  Aantallen slachtoffers vergelijken ligt voor de hand, maar is toch ietwat smakeloos, en bovendien voor wat betreft 1530 en zelfs 1953 een hachelijke zaak. De Februariramp van ’53 zou geen 1835, maar 1836 levens gekost hebben, vernamen we bij de herdenkingen in 2003.
Gemakshalve werd toen vergeten, dat ook dat eerste aantal van 1835 op onzekere gegevens berustte. Slachtoffers die pas later dan de tellingen het leven lieten als gevolg van de Ramp en andere factoren zorgden ervoor, dat zelfs in die moderne naoorlogse jaren geen exact aantal te geven was. 

Voor 5 november 1530 ligt het uiteraard nog moeilijker. Elke vergelijking zou ermee rekening moeten houden, dat de bevolking in de zestiende eeuw veel kleiner was dan in ’53, dat er geen burgerlijke stand bestond en dat de communicatiemiddelen geringer en gebrekkiger waren. De vloed van 26 januari 1682, toen Valkenisse bij Waarde verloren ging, is eigenlijk de eerste watersnood waarvan we dankzij de opkomst van het pamfletten- en krantenwezen veel meer ooggetuigenverklaringen en andere schriftuurlijke reflectie bezitten.
In 1530 was dat dus anders. De bekende kroniekschrijver Jan Janssen Reigersberg kon in zijn, in 1551 verschenen kroniek slechts het volgende over de ravage en het slachtoffertal meedelen:

‘Want er verdronken onuitsprekelijk veel beesten zoals koeien, paarden, schapen, varkens en andere, die met het water zeer desolaat wegdreven. En wat méér is, er zijn veel mooie huizen en hoeven, opslag van tarwe en rogge, van gerst, haver en ander graan door de vloed weggedreven.  En er dreven veel meestoven weg met honderden balen, die allemaal bedorven en zonken.
Maar wat het meest te beklagen is, is dat er zoveel mensen, jong en oud, verdronken, die men niet helpen kon’. (2)

Maar ook als je de St.-Felixvloed had overleefd, was je lot volgens Reigersberg soms bitter:

‘Er waren vele honderden mensen, zowel mannen als vrouwen, die zeer rijk waren, een grote familie onderhielden en een grote staat voerden, die dienaars en boden hielden, die nadien zélf moesten dienen en van huis tot huis om brood gingen bedelen, wat zeer verdrietelijk was voor degenen die in weelde hadden gebaad. En toen ze zich in de omliggende landen van Zeeland hadden gevestigd zijn ze met grote hopen gestorven; sommigen van rouw en melancholie, sommigen van honger en kommer.’

Reigersberg kon het weten. Hij was een apotheker uit Kortgene op Noord-Beveland, en moest na de vloeden van 1530/32 zélf zijn drijvende eiland ontvluchten en in het Walcherse Veere een nieuw bestaan opbouwen.

Op Noord-Beveland was de situatie anders dan in het grotendeels onbedijkt gebleven Verdronken Land van Zuid-Beveland. Noord-Beveland bleef als gevolg van de vloeden van 1530 en 1532 bijna zeventig jaar drijvende, totdat in 1598 de eerste herdijking plaatsvond met de totstandkoming van de Oud-Noord-Bevelandpolder. Hierin werd het dorp Colijnsplaat gesticht, pioniersnederzetting van een herrijzend eiland. Het herdijkingsproces van het hele eiland nam trouwens meer dan twee eeuwen in beslag, zoals ook het geval was met de herdijkte hals of staart van Zuid-Beveland.

afbeelding

Dicky de Koning, AWN-afd. Zeeland, verstrekt uitleg op de site van het verdronken Rilland (foto SCEZ).

 

 

 



afbeelding

De St.-Felixvloed van 5 november 1530 sloeg vooral toe in het zuidwestelijk Deltagebied (afb. uit M.K.E. Gottschalk, ‘Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland’, 1971-1977).

 

 

 



afbeelding

Theater KWARK uit Middelburg maakt op de zeedijk bij Oud-Rilland de ramp van 1530 aanschouwelijk (foto SCEZ).

 

 

 

afbeelding

Ontwerp van het in Katshoek te verrijzen monument voor de verdronken dorpen, door Lydia Schouten.

 
Lusthof van Zeeland

Ook andere eilanden en delen daarvan zijn na de rampen van 1530 en 1532 heel lang drijvende gebleven, langer nog dan Noord-Beveland. Het land van Borssele bleef drijvend tot 1616, Sint-Philipsland zelfs tot 1645.
Dat het Monument voor de Verdronken Dorpen (3) wordt gerealiseerd bij Katshoek op Noord-Beveland is echter niet zonder reden. Het eiland ligt min of meer centraal in de provincie Zeeland en herbergt veel zichtbare en onzichtbare sporen van leven met en strijden tegen het water gedurende zo’n tweeduizend jaar.
Vóór de ramp van 1530 was Noord-Beveland bekend als de ‘lusthof van Zeeland’, het type eretitel dat Walcheren als ‘Tuin van Zeeland’ droeg vóór de inundatie van dat eiland in 1944. Maar in het geval van Noord-Beveland refereerde men er niet mee aan een schoonheidsideaal, maar aan de vruchtbaarheid van de bodem. Het was een weelde die in de loop van de eeuwen duur is betaald, en die trouwens zélf grotendeels te danken was aan het woeden van de zee, die bij elke vloed en elke inbraak vruchtbare klei afzette.

Ik noemde zojuist niet voor niets Colijnsplaat. Daar is afgelopen zomer een nagebouwd Nehalenniatempeltje uit de Romeinse tijd geopend. Die opening heb ik zelf helaas moeten missen, maar het was een beetje een plezante kermis, heb ik vernomen. De commissaris van de koningin verscheen in een Romeinse toga om de opening te verrichten. Ook was er een passende ceremonie ter ere van de godin door de Romeinse-geschiedenisgroep Corbvlo. Zweverige dames dansten later, ik geloof op eigen initiatief of inblazing van onbekende godheden, zogeheten ‘maandansen’. New Age ontmoet archeologie ontmoet cultuurtoerisme.
Nehalennia is sindsdien bij mijn weten de enige inheems-Romeinse godin die anno 2005 twee tempels ter harer ere heeft: één in Colijnsplaat en een in het archeologische themapark ARCHEON in Alphen aan de Rijn.

 
Ganuenta

Zoals u allemaal weet is de cultus van Nehalennia alleen bekend van onze eigen Scheldemond; er waren Nehalenniatempels bij Domburg op Walcheren en Ganuenta bij Colijnsplaat. Beide liggen nu in zee. Die van Domburg zo’n drie en een halve kilometer uit de huidige kustlijn, die van Ganuenta of Colijnsplaat op ongeveer 25 m diepte bij de plaat Vuilbaard.
Ganuenta en Domburg waren centra voor het scheepvaartverkeer. Hier troffen reizende handelaren de plaatselijke bevolking, die vermoedelijk behoorde tot de Menapiërs.
Volgens de Nehalennia-kenner P. Stuart was Ganuenta een drukke havenplaats met veel scheepsvolk, aanleg- en opslagplaatsen enzovoort. Dat wordt voorlopig maar door weinig geschraagd; er zijn vooral bouwfragmenten zoals dakpanfragmenten gevonden en natuurlijk enorm veel altaarresten. Anno 2005 is er sprake van meer dan driehonderd (!) opgeviste en –gedoken altaren. Wél kunnen we concluderen dat het aan de noordzijde van het huidige Noord-Beveland ongeveer achttienhonderd jaar geleden geen dooie boel was.
De Nehalennia-altaren zijn trouwens niet de enige Romeinse relicten aan de noordkust van Noord-Beveland. Bij de Noordhoeksnol ten westen van Colijnsplaat is bijvoorbeeld een alleenstaande boerderij aangetroffen. Midden jaren zeventig en tachtig is daar onderzoek gepleegd.

De omgeving van Ganuenta heeft zoals gezegd een belevingsarsenaal van twee millennia voor ons in petto. Het speelt zich allemaal af omtrent de huidige plaat Vuilbaard ten noorden van Colijnsplaat. Achttienhonderd jaar geleden lag aan de zuidkant hiervan de inheems-Romeinse havenstad – havenstad tussen aanhalingstekens - Ganuenta. Die vindplaats ligt nu 25 meter diep als kleiplateau van ongeveer 400 bij 400 meter.
Ganuenta verdween, de Middeleeuwen braken aan. Vervolgens ontwikkelde zich hier het eiland Orizand. Dat werd eeuwen bezocht en benut door schaapherders, die er stelbergen aanlegden om hun voeten droog te houden. Pas in 1602 werd het gedeeltelijk ingepolderd. Al na enkele decennia, in 1639, verdween die polder in de golven. Nadien werd het niet-verdronken deel van Orizand vastgedijkt aan het nieuwe Noord-Beveland, dat zelf óók nog maar ruim een halve eeuw geleden was herrezen uit het water.
Maar ook die nieuwe polders gingen weer verloren. Aan de zeedijk zijn nog allerlei nollen te zien, die herinneren aan de dijken van de vergane Ouweleck- en ’s-Gravenhoekpolders en hoe ze verder nog heten.
Sterker nog: achter de huidige noordkust van Noord-Beveland tref je een hele reeks inlagen aan: buffertjes achter zeedijken waarvan men vreesde dat ze zouden doorbreken en dat vaak ook deden. De aanleg van inlaagdijken is een stokoude waterstaatstechniek, die we op Schouwen al kennen uit de dertiende eeuw. Nu, zevenhonderd jaar later, wordt in verband met het opdringen van de zee en de verandering van het klimaat opnieuw gedacht aan de creatie van een nieuw soort inlagen, nieuwe bufferzones tussen het water en het land. Ook de ontpolderingsplannen en –besluiten zorgen vandaag de dag voor veel beroering.

 
Belevingsmonument

En daarmee raken we meteen de relevantie van het thema verdronken dorpen en verdronken structuren, en de relevante functie van een mooi belevingsmonument zoals Lydia Schouten dat gaat realiseren. Het is niet alleen een zaak van het verre en nabije verleden, van 1530 en 1953. Het is een zaak van nu. Dit proces van het veroveren van territoor op en het prijsgeven van gebied aan de zee gaat nog altijd door. Het is een complex en dynamisch, moeilijk ontwarbaar proces. We praten over eilanden met windmolens ver in zee, en tegelijkertijd over het terugschenken aan de zee van moeizaam op het water bevochten polders.
De grenzen tussen land en water waren in onze zuidwestelijke delta altijd al vloeiend, en dat lijkt de laatste jaren weer meer dan ooit het geval. Landbouw moet ook hydrocultuur worden, vissers moeten hun producten niet meer vangen maar telen: zilte boeren moeten het worden. Met dat concept hebben wij, hier in schelpdierenland, overigens niet zoveel moeite.

Maar de kans is óók niet denkbeeldig dat de plek waar wij nu staan in een niet eens zo verre toekomst toehoort aan het areaal van een verdronken stad - de stad Goes, door haar inwoners verlaten en overgegeven aan een rijzende, niets ontziende zee. Een nieuwe Achterberg staat dan misschien op, die niet over Reimerswaal maar over de ganzenstad zal zeggen:

Een, die zichzelf niet meer bezit,
is aan de mist geschonken.
Klokken zijn mee verdronken
en luiden dit
ononderbroken.
Maar niemand weet of ziet
de plaats, waar alles ligt gezonken.

 
Noten

1 De begeleiding van deze dag en de toelichting op de vier programmaonderdelen was in handen van medewerkers van de SCEZ, de Archeologische Werkgemeenschap Nederland (AWN), afdeling Zeeland en mw. Ria Geluk, die in Ouwerkerk historicus Jan Zwemer verving. Het programma startte in het Oosterscheldemuseum in Yerseke met bezoek aan de tentoonstelling ‘Verdronken Dorpen van Zuid-Beveland’ en een korte introductie van provinciaal archeoloog Robert van Dierendonck (SCEZ). De toer vervolgde met een bezoek aan de site Oud-Rilland o.l.v. Dicky de Koning van AWN-afdeling Zeeland, na een openluchtvoorstelling van Theater Kwark over de Sint-Felixvloed uit 1530 aan de zeedijk, met zicht op de site van het verdronken dorp.
Om 13.00 uur ging het programma verder in het Historisch Museum De Bevelanden in Goes, waar archeologisch medewerker van de SCEZ Jan Kuipers de hier afgedrukte toelichting gaf op ‘Sint-Felix quade saterdach’ en het verband met Noord-Beveland. Kunstenares Lydia Schouten gaf aansluitend een toelichting op het Monument voor de Verdronken Dorpen, dat in 2006 nabij Katshoek verrijst. Vervolgens was er gelegenheid tot bezichtiging van de vaste tentoonstelling ‘Verdronken Dorpen’ Daarna werd het programma voortgezet bij het Watersnoodmuseum in Ouwerkerk. Na een introductie door mw. Ria Geluk (tekst Jan Zwemer) kon hier de tentoonstelling ‘Verdronken Dorpen op Schouwen-Duiveland’ worden bekeken. Theater Kwark gaf buiten het museum eerst nog een tweede voorstelling over de Sint-Felixvloed.

De Sint-Felixtoer was georganiseerd door de SCEZ als onderdeel van het project ‘Verdronken Dorpen in Zeeland’ (projectleider Leo Adriaanse, projectmedewerker Jan Kuipers). Met dit project wordt de aandacht gevestigd op de minstens 117 verdronken dorpen (inclusief één verdronken stad: Reimerswaal) op het grondgebied van de provincie Zeeland. Het gaat om kerkdorpen, die zijn weggevaagd of verlaten als gevolg van stormvloeden, soms ook gedurende langer lopende processen. Sporen in het landschap, bodemvondsten en archiefmateriaal herinneren ons tot op de dag van vandaag aan het leven van mensen op inmiddels verdwenen plekken. Het project wordt in de loop van 2006 afgerond, met de onthulling van het Monument voor de Verdronken Dorpen in Zeeland bij Katshoek, naar ontwerp van de Amsterdamse kunstenares Lydia Schouten. Voor meer informatie zie ook www.scez.nl (home>verdronken dorpen).

2 Transcripties door auteur.

3 Zie ook Jan J.B. Kuipers, ‘Monument verdronken dorpen op Noord-Beveland’, Archeologie Magazine 2005 nr. 5, 6-9;  Leo Adriaanse, Robert van Dierendonck en Jan Kuipers (red.), Verdronken dorpen in Zeeland 2; special bij Zeeuws Erfgoed december 2005 (ook los verspreid i.c. verkrijgbaar bij de SCEZ).

Jan J.B. Kuipers

   

 
Wat in het vat zit, is al verzuurd
top

 

 
Over een allec-scherf uit Aardenburg  

Achter zelfs het kleinste scherfje gaat soms een heel verhaal schuil. Neem nu een klein scherfje in een vitrine in het Archeologisch Museum te Aardenburg. Het is klein, okerkleurig met een ruw oppervlak – op het eerste gezicht niets bijzonders. Als het op straat zou liggen, zou je er een schop tegen geven. Maar wie wat nauwkeuriger kijkt, ziet iets bijzonders. Iets dat dit scherfje uniek maakt. Wat is dat bijzondere en unieke?

afbeelding

 

 

 

 

 



afbeelding

 

 

 

 

 



afbeelding

 

 

 

 

 



afbeelding

 
Geen scherfje van niks
Het scherfje werd niet gevonden op straat, maar anderhalve meter onder het maaiveld. Het werd in 1962 aangetroffen in een rijke opgravingsput met in hetzelfde niveau vele andere Romeinse aardewerkfragmenten. Er werd geen schop tegen gegeven, maar zorgvuldig uitgegraven, afgeborsteld, gewassen, ingetekend, opgemeten, voorzien van een registratienummer en geadministreerd. De opgravingsput, Oude Vlasmarkt-Aardenburg, lag iets ten westen van het Romeinse castellum, vlakbij een riviertje.    
Het fragmentje ziet er nogal gewoontjes uit. Het is net zo oud . als de andere scherven waartussen het gevonden werd,. Romeins namelijk; voor Aardenburg en voor die put dus niets speciaals .Het is een randfragment van een voorraadvat; ook daarvan zijn er meerdere in fragmenten teruggevonden - ook al niet apart. Noch het materiaal, noch de grootte, datering of het oorspronkelijke voorwerp waartoe het behoorde, maken de scherf opmerkelijk.
Maar wie de scherf goed bekijkt – zoals de opgraver en AWN-er van het eerste uur Jan van Hinte - ziet iets opmerkelijks. Iemand heeft iets in de scherf gekrast. Dat moet gebeurd zijn voordat het vat waarvan de scherf deel uitmaakte in de oven werd gebakken. We kunnen met een zekere moeite het gekras zelfs lezen. Er staat ALIIC XI S. Dat is geen persoonsnaam, maar duidt een product aan en een inhoudsmaat. Het product is allec, de inhoudsmaat elf en een halve amphorae of quandrantal, ongeveer 300 liter. Wat is allec?
 
Vissaus
Allec is een bijproduct van vissaus. Dat laatste, in het Latijn garum of liquamen, werd door Romeinse koks gebruikt om het zoutgehalte van een gerecht te verhogen. In De re coquinaria (Over de keuken), een kookboek dat toegeschreven wordt aan Marcus Gavius Apicius uit de eerste eeuw, staat waarom: "Als het [gerecht] te flauw is, voegt men garum toe." Wij doen dat tegenwoordig ook, onder andere door  droog  strooizout of vloeibare  maggi.
De Romeinen gebruikten meer zout dan wij, zowel omdat voedsel gezouten werd om het voor langere tijd goed te houden, maar ook omdat ze het lekker vonden. Zij zoutten hun voedsel met pekel (bijvoorbeeld verkregen uit regenwater) of door een gerecht in zeewater te koken. Daarnaast konden ze dus ook garum toevoegen aan hun voedsel.
Garum is een zoute saus, die rijk is aan vitamine D. Het werd gebruikt in de keuken bij de voedselbereiding, maar ook op tafel bij het consumeren. Het was mogelijk zelf saus te maken, thuis. Er waren echter ook bedrijven, waar garum in grote hoeveelheden werd geproduceerd. Op een aantal plaatsen in het Romeinse rijk zijn resten van dergelijke bedrijven nog goed zichtbaar, bijvoorbeeld te  Pompeji en in Marokko. Maar over het gehele rijk moeten garumfabrieken gevestigd zijn geweest, vooral in havensteden.
Er waren verschillende manieren om garum te produceren. In een laat-Romeinse (maar in het Grieks geschreven) verzameling geschriften, de Geoponica, worden verschillende van deze methoden beschreven. Bijvoorbeeld:
"Garum, ook wel liquamen genoemd, maakt men als volgt: de ingewanden van vis worden in een vat gedaan en gezouten. Neem kleine visjes, vooral atherinae of ansjovis, of wat voor kleintjes dan ook. Zout ze allemaal en laat ze oud worden in de zon, terwijl men ze regelmatig omdraait. Als ze door de zonnehitte echt helemaal gefermenteerd zijn, onttrekt men de garum op de volgende wijze. Plaats een diepe fijngeweefde mand in een vaas en doe daar de bovengenoemde vis in. Pers de garum uit de mand. Vang de vloeistof die uit de mand loopt op. Dit noemt men liquamen. Wat echter in de mand overblijft heet alex". 
 
Soorten vissaus
Uit het verdere verloop van de tekst en uit andere bronnen is bekend dat er meerdere soorten vissaus waren, niet alleen van de zojuist genoemde atherina (een onbekende vissoort) en ansjovis, maar ook bijvoorbeeld van zalm, garnalen, sardines, makreel,  bonito, oesters en dergelijke of een combinatie daarvan. De smaak van garum werd niet alleen bepaald door de vissoort, maar ook door de duur van het fermenteringsproces. Verder kon men ook vloeistoffen, specerijen of kruiden toevoegen, bijvoorbeeld wijn,  wijnazijn en oregano (marjolein, een kruid). Ook door koken kon men de smaak beïnvloeden. Het beste garum is volgens de Geoponica de haimation.
"Neem de ingewanden van de tonijn met kieuwen, het sap en het bloed en strooi er voldoende zout over. Doe alles in een pot. Na ongeveer twee maanden maakt men een gaatje in de pot en de garum die eruit stroomt heet haimation."  
De smaak en productiemethode waren mede bepalend voor de prijs. Dé delicatesse was garum sociorum, garum gemaakt van vissen die in garum verdronken waren. Vandaar de naam "garum van lotsgenoten". De natuurwetenschapper Gaius Plinius Secundus (Maior) (23/24-79) vertelt daarover in zijn natuurencyclopedie Naturalis Historia:
"Tegenwoordig wordt een garum van makreel uit de visserijen van Carthago het meest geprezen. Hij wordt sociorum genoemd. Men telt 1000 hs [sestertiën] neer voor zes liter ervan. Bijna geen enkele vloeistof haalt zulke prijzen, behalve parfum".
Ter vergelijking: zes liter Phalernische wijn, de topwijn van die dagen, kostte "slechts" 60 sestertiën. De welgestelde Romeinen hadden dus wel wat over voor hun garum. 
 
Allec

Allec is, zoals we uit de Geoponica weten, een residu van garum. Het is het "papje" dat achterbleef na het uitlekken van het garum. Ook dit "papje" werd verkocht als saus, maar tegen een lagere prijs. De allec kan daarom beschouwd worden als het garum van de minder kapitaalkrachtigen. Plinius deelt mee dat in zijn tijd alleen allec van ansjovis gemaakt werd. Het is vergelijkbaar met de tegenwoordige Engelse ansjovissaus en Italiaanse ansjovispasta.  Later  werden ook andere vissoorten voor allec gebruikt ,bijvoorbeeld  barbeel (en daarvan vooral de lever .), zeeanemoon of zeeëgel (in het bijzonder de kuit). Deze allecsoorten waren een stuk duurder.
Een voorbeeld van een recept met vissaus komt uit Apicius' kookboek: gefrituurde ansjovis. In plaats van garum (liquamen) kan men ook allec gebruiken:
"Schotel van gebakken ansjovis. Was de ansjovis. Breek eieren en doe de ansjovis erin. Neem liquamen, wijn, olie en breng dit aan de kook. Als het kookt, legt men de ansjovis [in de pan]. Als ze stollen, draait men ze voorzichtig om. Bak ze tot ze kleuren en  giet  er vervolgens eenvoudigweg oenogarum over. Besprenkel met peper en dien op."
Schotel is hier de vertaling van het woord patina. Gewoonlijk wordt hiermee een ondiepe, ronde of ovalen ovenschaal met opstaande randen  aangeduid, maar het wordt ook wel geïnterpreteerd als een plat bord.  
Daarnaast werd vissaus ook toegevoegd aan andere sausen, bijvoorbeeld pepersaus of mosterdsaus. En ook wel  aan   aïoli, een combinatie  van  gestampte knoflook, olijfolie en azijn (nog steeds populair rond het Middellandse Zeegebied). Ook werd het gebruikt bij allerlei soepen. Dit zijn zomaar enkele voorbeelden, waaruit blijkt hoe veelvuldig vissaus werd toegepast bij het dagelijkse eten. De vraag naar en de productie van garum,  liquamen en allec moet bijzonder groot geweest zijn. 

 
Handel in allec
Ook in Aardenburg werd blijkens de vondst van de allec-scherf deze saus geconsumeerd en - misschien - geproduceerd. De scherf werd gevonden op een plaats vlakbij het riviertje de Rudanna, de waterweg waarlangs schepen voeren met materiaal van en naar de Romeinse nederzetting (en die  Aardenburg trouwens zijn naam heeft gegeven). Schepen met onder andere allecamforen aan boord.
Na de vervaardiging van de garum werd de saus in voorraadvaten gedaan, verkocht en vervoerd. Meestal werden hiervoor grote, stevige puntamforen met een dikke wand gebruikt die men gemakkelijk kon stapelen. Nadat het op de plaats waar het geconsumeerd werd was aangekomen, werd de kwaliteit van de saus gecontroleerd. Daarna werd de amfora in de voorraadruimte gezet en/of de saus overgeheveld in dolia, een ander soort grote voorraadvaten. Om aan te geven hoeveel de vaten konden bevatten was de inhoudsmaat in het vat gekrast. Bij het Aardenburgse vat was dat 11 1/2  keer een "standaardamfora" (26,2 liter), dat wil zeggen 301,3 liter. 
Dat vissaus in Zeeland werd verhandeld is ook uit een andere bron bekend. Bij Colijnsplaat werden drie altaarstenen van Nehalennia gevonden, die aan de godin gewijd werden door  negotiatores  allecarii, handelaren in allec. Eén altaar is van de compagnons Lucius Secundus Similis en Titus Carinius Gratus. De steen is bijzonder omdat hij waarschijnlijk op het jaar af gedateerd kan worden, namelijk in 222. Een andere steen werd opgericht ter ere van het "goddelijk (keizerlijk) huis" door hun collega Catullinus Secco uit Trier. De derde (die in vijf fragmenten slechts onvolledig bewaard gebleven is) is van A[tti]us G[r]atus; dit keer niet voor de keizerlijke familie, maar "voor zichzelf en de zijnen".
 
Slot

Wat in het vat zit, verzuurt niet, zegt het spreekwoord. Voor vissaus geldt dat niet - het was al zuur voordat het in het vat ging. Wie een stukje van zo'n allec-vat wil bekijken, kan dat doen in het Gemeentelijk Archeologisch Museum te Aardenburg.
Net zo aardig is het eens een Romeins recept uit te proberen met allec als smaakmaker. Aan informatie ontbreekt het niet:  er zijn meer dan voldoende boeken, artikelen en sites over  Romeinse  gerechten. Nu de moed nog.    

 
Bronnen

Deae Nehalennia. Gids bij de tentoonstelling, Middelburg, 1971
P.C.P. Faas, Rond de tafel der Romeinen, Diemen, 1994
P. Stuart, Nehalennia. Documenten in steen, Goes, 2003
 J.M. van Winter, Van soeter cokene. Recepten uit de romeinse en  middeleeuwse  keuken, Enschede/Bussum, 1971
www.coquinaria.nl
www.ancientlibrary.com/geoponica

Arco Willeboordse

   

 
Archeologisch onderzoek in Vlissingen
   

Lugubere opgraving Vlissingen , kopte de PZC van dinsdag 1 februari 2005.

In de bouwput aan de Spuistraat in Vlissingen, waar het nieuwe woon- en winkelcentrum "De Fonteyne" zal verrijzen, bleken bij een aantal goed bewaarde, meer dan 500 jaar oude stoffelijke resten zelfs de hersenen nog intact te zijn. Dat is natuurlijk wel bijzonder. Omroep Zeeland TV toonde de avond ervoor enkele niet geheel gave schedels met daarin inderdaad zeer goed herkenbaar de kronkelige hersenstructuur zoals wij die kennen van bijvoorbeeld plaatwerk uit een medische encyclopedie.

Het terrein aan de noordzijde van de Sint Jacobskerk heeft enkele eeuwen gefungeerd als begraafplaats. Vanaf ongeveer 1304, toen de bouw van de kerk een aanvang nam, was het ommuurde terrein in gebruik als kerkhof, tot een deel ervan in 1511 als marktplein in gebruik werd genomen. Na 1511 werd het kerkhof verplaatst naar de zuidzijde van de kerk. Het kerkhof, ook wel het Groene Kerkhof genoemd, werd door een muur van de Branderijstraat afgesloten. Waarschijnlijk heeft men hier nog tot 1827 begraven.

De verwachting was dat men bij het archeologisch onderzoek dat startte in 2003 op de Oude Markt, behalve natuurlijk veel begravingen, net als in Middelburg bij de Westmonsterkerk marktwinkeltjes zou aantreffen. Ook zou men een grote centrale waterput kunnen vinden, net als in Den Bosch en Amersfoort.

Het onderzoek leverde echter geen resten op die wijzen op de marktfunctie van het terrein. Wel werden er ca. 900 skeletten gevonden, tezamen met veel verroeste nagels van de doodkisten, die vaak alleen nog als verkleuring waren te zien. De doden werden volgens de christelijke traditie begraven, over het algemeen is dat in een oost-west oriëntatie en meestal zonder bijgaven. Op de Oude Markt lagen de doden meer in een noordwest-zuidoost oriëntatie en ook lagen de hoofden niet allemaal aan dezelfde kant, zodat er sprake lijkt van een zekere willekeur. Alle skeletten zijn in het veld getekend en gefotografeerd en worden verder onderzocht door een fysisch antropoloog. Te zijner tijd zullen de stoffelijke resten worden ondergebracht in het archeologisch depot in Middelburg. Van de nu gevonden skeletten gaat slechts een deel naar het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam en naar de Universiteit van Gent voor nader onderzoek, natuurlijk ook de schedels met de nog intacte hersenen.

Behalve het onderzoek op de Oude Markt in 2003 werd er onderzoek gedaan in de Spuistraat en bij de Lange Zelke. Uit de archeologische verwachtingskaart van het plangebied was gebleken dat er in het gehele gebied nog goed geconserveerde resten te verwachten waren uit de tweede helft van de 13e eeuw, zoals funderingen, kelders, vloeren, waterputten, beerputten, wegdekken, graven, greppels, afval- en ophogingslagen, ambachtelijke sporen, enz. Hoewel onder de winkels van de Aldi en de Hema geen diepe kelders aanwezig waren, zullen de archeologische resten hier door de plaatsing van heipalen en het uitgraven van de bouwput dieper zijn aangetast dan elders in het plangebied.

Er werden twee sleuven aangelegd, een ter hoogte van Vicomputer in het zuidelijk deel van de Spuistraat (3a) en een ter hoogte van de Rabobank op het Spuiplein/Lange Zelke aan de westzijde (1),

Als de resultaten uit de eerste twee sleuven niet zouden leiden tot planaanpassing zouden er nog twee sleuven worden aangebracht: een waar de Hema heeft gestaan (2) en een in het oostelijk deel van de Spuistraat (3b) (Zie kaartje) Dit was gepland voor oktober 2004.

In januari 2004 werd begonnen met proefsleuf 1, waar naast kades uit de 15e tot 19e eeuw enkele houten hellingen werden gevonden. Aanvankelijk dacht men te doen te hebben met de 17e eeuwse scheepswerf, maar dit is niet waarschijnlijk omdat de hellingen te klein zijn en bouwkundig gezien te plaatsen zijn in de 15e eeuw. In de Spuistraat (de voormalige Achterhaven, gedempt in 1910), werd op 2.50 m onder het straatniveau een zwarte sliblaag aangetroffen, de oorspronkelijke bodem van de haven. In het oostelijk deel van de sleuf werden afvallagen gevonden die deel uitmaken van de Zelke, de berg afval ontstaan door zoutwinning. Door de haringvisserij in Oud Vlissingen was de behoefte aan zout groot. Dat werd in Vlissingen gewonnen door het verbranden van zouthoudend veen of misschien door het verdampen van zeewater. De productie was brandgevaarlijk en gebeurde buiten het dorp. De afvalresten van de zelnering werden op een heuvel gestort, ongeveer ter hoogte van Zeemanserve. De opwerping van deze Zelke is al begonnen in de 13e eeuw toen de Achterhaven nog niet gegraven was. Op de zelkheuvel stond in de 16e eeuw een molen, te zien op de kaart van Jacob van Deventer. Het straatje de Korte Zelke leidde naar deze molen. De straat de Lange Zelke lijkt over de zuidflank hiervan te zijn aangelegd, later afgesneden door de Achterhaven. Bronnenonderzoek toont aan dat op de plaats waar de Zelke de Achterhaven bereikte zoutketen hebben gestaan en zelhuizen, die in 1443 plaats moesten maken voor de vismarkt, die op zijn beurt eind 17e eeuw weer plaats moest maken voor opslag van bouwmateriaal en kort daarna voor de scheepstimmerwerf.

In sleuf 3a aan het zuidelijke eind van de Spuistraat zijn resten van de kaden van de Achterhaven gevonden: twee parallelle rijen van aangepunte houten palen. Ook werden restanten van de oorspronkelijke, waarschijnlijk 15e eeuwse bebouwing aan de Korte Noordstraat opgegraven. Deze straat liep parallel aan de Achterhaven en kan dateren uit de 14e eeuw.

Begin februari 2005 werd het onderzoek afgerond.

afbeelding

Foto: Ruben Oreel

afbeelding

Foto: Ruben Oreel

afbeelding

Foto: Ruben Oreel

afbeelding

Foto: Ruben Oreel
 
Onderzoeksdoelen

De onderzoekers wilden het plangebied algemeen waarderen.

Vervolgens werd aandacht besteed aan de verschillende fasering van het deel dat uitmondt bij de Lange Zelke (opeenvolging kade met losplaats, vismarkt, scheepswerf, opslag)

- Het opzoeken van de grens van het kerkhof en het onderzoek van de begravingen.

Meer inzicht krijgen in de bouw van woningen in de laatste eeuwen en de ligging van de straten.

Onderzoek van het zoutwinningsproces. Hoe werd zout gewonnen? Waar gebeurde dat? Waar lag het afval?

In december 2004 en januari 2005 werden elke woensdagmiddag rondleidingen gegeven over het opgravingsterrein. Tevens is in de bibliotheek een kleine expositie van de vondsten te zien, waaronder een paar fraaie zandstenen beeldhouwwerkjes, een leeuw en een engel, mogelijk afkomstig van het in 1809 verwoeste stadhuis.

Op woensdagmiddag 5 januari nam een aantal AWN'ers deel aan een rondleiding. Het viel wat tegen omdat er weinig te zien was en omdat flinke stukken van het terrein niet mochten worden onderzocht vanwege de bodemvervuiling, een tegenvaller voor de archeologen van het ADC. Jammer, want ons was verteld dat het juist nu interessant zou zijn om een kijkje te nemen.

Volgend jaar, als de onderzoeksgegevens bekend zijn, horen we meer over dit stadskernonderzoek.

Bron: Centrum Nieuws Vlissingen , nieuwsbrieven 1 en 2